Borduurnaald in je hart

Ondanks verscheen bij uitgeverij Poëziecentrum de eerste in het Nederlands vertaalde bundel met gedichten van de Chinese auteur Jidi Majia. De titel maakt meteen al nieuwsgierig: Ik schrijf gedichten omdat ik een toeval ben. Sander de Vaan sprak met Silvia Marijnissen, die Majia’s gedichten voor dit boek selecteerde en vertaalde

Wat trekt je vooral aan in de poëzie van Jidi Majia?
In eerste instantie werd ik aangetrokken door het perspectief van zijn achtergrond, het Yi-volk (waarvan de Nuosu deel uitmaken); dat laatste bood mij een heel nieuwe invalshoek. Ik heb me daar voorheen nooit erg mee beziggehouden, al heb ik wel eerder gedichten van bijvoorbeeld Qin Xiaoyu vertaald, die in zijn poëzie teruggrijpt op zijn leven als kind in Binnen-Mongolië. Maar Qin is zelf een Han-Chinees opgegroeid in Binnen-Mongolië, dus dat is toch niet helemaal hetzelfde als Jidi wiens beide ouders Nuosu waren.

Misschien zocht ik voorheen onbewust naar dichters die aansloten bij de meer westerse modernistische, hermetische poëzie. De Taiwanese Ye Mimi is bijvoorbeeld heel springerig in haar beeldspraak, zit vol taalspelletjes en rijmt er lustig op los. Yang Mu kan erg gecompliceerde zinnen schrijven.

Jidi’s poëzie doet dat allemaal niet, die klinkt juist eenvoudig, direct en oprecht. Hij schetst een wereld die al heel lang lijkt te bestaan, het is alsof je op vakantie gaat naar die streek of naar een film daarover kijkt. De poëzie is ook wat nostalgisch: een wereld die nooit lijkt te veranderen en die nooit verdwijnt – maar dat is niet waar natuurlijk. Hij schrijft er juist over omdat door de globalisering en modernisering deze tradities aan het verdwijnen zijn.

Jidi behoort tot het Yi-volk, dat een eigen taal heeft, maar hij dicht in het Chinees, hoe bijzonder is dat?
Er is in feite een hele groep schrijvers met een ‘minderheidsachtergrond’ in de grensgebieden van China, zoals in de provincies Sichuan, Yunnan, Qinghai, Gansu en Binnen Mongolië. Ze zijn etnisch verwant met de volken aan de andere kant van de grens, in Noordoost India, Myanmar, Mongolie. De meeste van deze dichters schrijven in de taal van het land waar ze wonen; dus die in China schrijven veelal in het Chinees, die in India vaak in het Engels. Een aantal schrijft ook in de eigen taal. Andere voorbeelden uit China zijn de dichter Aku Wuwu (1964) die zowel in het Chinees als het Nuosu schrijft, of de dichteres Jike Bu (1986), die in het Chinees schrijft maar wel Nuosu spreekt. In het Engels schreef Mark Bender er een boek over met vele vertalingen: The borderlands of Asia.

Het is misschien wat te vergelijken met de Friese dichters die er ook voor kunnen kiezen om in het Fries of het Nederlands te schrijven, waarbij de tweede natuurlijk als voordeel heeft dat je veel meer mensen kunt bereiken (zonder je werk te vertalen). Dat argument zal voor een minderheidsdichter in China wellicht ook gelden. Aan de andere kant roept het ook vragen op over het minderhedenbeleid in China: terwijl het land zijn vele minderheden promoot, worden tegelijkertijd Oeigoeren en Tibetanen onderdrukt.

Ik vind 'Antwoord' mooi, het deed mij aan García Lorca denken. Hoezeer vormt Jidi's poëzie een eigen geluid in de Chinese dichtkunst (al dan niet beïnvloed door buitenlandse dichters)?

ANTWOORD
-
weet je nog wel
dat weggetje naar Jjile Bute?
honingzoete schemering
ze zei tegen mij:
ik ben mijn borduurnaald kwijt
snel, kom me helpen zoeken
(ik heb dat hele weggetje afgezocht)
-
weet je nog wel
dat weggetje naar Jjile Bute?
gewichtige schemering
ik zei tegen haar:
er zit iets diep in mijn hart
dat moet je borduurnaald zijn
(ze was tot tranen toe geroerd)

Jidi vertoont zeker verwantschap met de dichters uit die ‘borderlands of Asia’, die hebben allemaal een voorliefde voor het schrijven vanuit hun eigen tradities, over ontstaansmythes, de voorouders, het ecologische systeem, de eigen taal en ze tonen hun bezorgdheid over het lot van dat alles. De andere minderheidsdichters ken ik niet goed genoeg, maar bij Jidi vind je ook heel wat ‘bredere’ gedichten, die gaan over oorlog, liefde, de sars-epidemie, of heel persoonlijke gedichten over de dood van zijn moeder.

Jidi Majia is zeker, net zoals al die andere minderheidsdichters en Chinese dichters beïnvloed is door buitenlandse poëzie. Er worden heel veel buitenlandse schrijvers gelezen… Maar dat betekent niet dat Chinese schrijvers niet hun eigen stem behouden, dat laat deze poëzie van Jidi wel zien. Bij Jidi vind je veel hommages aan Russische en Zuid-Amerikaanse dichters, en nauwelijks aan Europese dichters.

De meeste Chinese poëzie is in vrije verzen geschreven, zonder rijm, assonantie of strak metrum, zo ook Jidi. Zijn werk draait vooral om het beeld dat hij oproept, en hij gelooft in poëzie als een manier om een betere wereld te creëren; in die zin wil hij met zijn gedichten ook echt wel iets uitdragen, maar ook dat zie ik wel vaker bij Chinese dichters.

Hoe was het om Jidi's gedichten in Nederlandse 'spreektaal' te vertalen?
Een deel van Jidi’s gedichten, zoals ‘Antwoord’ of ‘Vrijheid’ bijvoorbeeld, is gemakkelijk te begrijpen, maar soms blijkt dat tijdens het vertalen dan behoorlijk misleidend, omdat het lastig is de juiste woorden te vinden die net zo eenvoudig zijn als in het Chinees. Vanuit het proza-vertalen weet ik dat je voor het spreektalige (of dialogen) vaak kunt werken met het invoegen van kleine woordjes zoals wel, toch, hè.

Als je de eerste strofe van ‘Antwoord’ letterlijk vanuit het Chinees, dus in de Chinese woordvolgorde, weergeeft krijg je iets als:

jij nog herinnert

dat leidt naar Jilibute weggetje?

een stromen honing schemering

zij tegen mij zei:

mijn borduurnaald is kwijt

snel kom helpen mij zoeken

ik zocht overal [op] dat kleine weggetje

你还记得

那条通向吉勒布特的小路吗?

一个流蜜的黄昏

她对我说:

我的绣花针丢了

快来帮我寻找

(我找遍了那条小路)

Die eerste regel zou je gewoon kunnen vertalen als: ‘Herinner je je dat weggetje naar Jilibute nog?’ Ik heb dat wat spreektaliger gemaakt door het woordje ‘wel’ toe te voegen en voor mijn gevoel klonk ‘weet je nog’ wat spreektaliger en directer dan ‘herinner je je nog’. De derde regel was lastig vanwege de schemering, waar ‘stromen honing’ bijvoeglijk bij hoort. Dat levert dan iets als ‘de schemering waarin de honing stroomde’. Dat leek me wat omslachtiger klinken dan het korte Chinees en dus heb ik er ‘honingzoet’ van gemaakt, omdat dat het ‘zoete’ van een prille liefde benadrukt, en ook vanwege de parallellie met de tweede strofe waarin het om een zware of serieuze schemering gaat (dat is dus zwaarwichtig geworden). Toch begin ik nu weer te twijfelen, want ‘de schemering waarin de honing stroomde’ is toch een mooi beeld en geeft de schemering meer een warme goudbruine kleur. Maar dan zou de herhaling tussen die twee strofes iets minder pregnant zijn.

In de zesde regel heb ik er wat meer aansporing ingebracht door niet te schrijven: ‘kom me snel helpen zoeken’, maar ‘snel, kom me helpen zoeken’. Dat vond ik net wat spreektaliger en urgenter klinken. De laatste regel tot slot zou je vrij letterlijk kunnen houden: ‘ik zocht overal op het weggetje’, maar zou je dat zo zeggen in een gesprek met iemand? Ik dacht aan: ‘ik heb stad en platteland afgezocht’ en dat werd het dus in combinatie met het weggetje.

Een ander punt bij het vertalen van Chinese poëzie is de interpunctie en hoofdletters. De meeste poëzie gebruikt geen interpunctie. Volg je daarin dan automatisch het origineel? Omdat Jidi Majia beide doet, gedichten met en gedichten zonder interpunctie, heb ik besloten dat in het Nederlands ook zo te hanteren.

Lees de recensie van Hettie Marzak over de bundel op Meander.

Geplaatst in Interviews.