Over Nederlands en streektalen (3)

door Willem Tjebbe Oostenbrink


(c) co-produktie Oostenbrinkjes

 

Dit derde deel over Nederlands en streektalen gaat over de werkwoorden ‘zullen’ en ‘gaan’. Soms zie je woorden die in de streektaal gebruikt worden maar in het Nederlands verouderd zijn.

Het gaat er niet om dat ik terug wil naar ‘vroeger toen het beter was’. Wij mij betreft gaan we gewoon vooruit. Sommige veranderingen in de Nederlandse taal leiden niet tot verrijking en meer mogelijkheden in onze taal. ‘Gaan’ neemt wel een bijzondere plaats in. Het lijkt tegenwoordig alsof iedereen die het gehoor voor zich wil winnen, ‘gaan’ in de strijd werpt. Dat levert veel bijzondere formuleringen op.

We hebben de fiets niet afgeschaft omdat er een auto is uitgevonden waarmee we sneller vooruit komen. Hoe is het toch mogelijk dat een werkwoord als ‘zullen’ in dertig jaar tijd bijna is verdwenen? De auto, het vliegtuig en de fiets zijn rond dezelfde tijd uitgevonden. Geen van de drie is afgeschaft en bij het oud vuil gezet. Integendeel, ze zijn allemaal doorontwikkeld. We hebben nu meer voertuigen met gedifferentieerde snelheden waar veel mensen gebruik van maken.

In het Nederlands worden uitdrukkingen met de derde naamval minder gebruikt en lijdende zinnen zijn drastisch ingeperkt (zie column 1 en 2). Ook de toekomende tijd wordt minder gehanteerd of moet ik schrijven ‘zal mogelijk worden opgedoekt’? Zullen ‘worden’ en ‘zullen’ uit de Nederlandse taal worden geëlimineerd als ongewenste buitenstaanders?

Het gebruik van ‘zullen’ is sterk afgenomen in het Nederlands. Het zou kunnen dat de omarming van het Vlaams dat Franse invloeden absorbeert, hier van invloed is. (In het Frans wordt ook gebruik gemaakt van het werkwoord ‘aller’ (=gaan). Zo hoor je: We gaan er mee ophouden. In het Gronings zeggen we. ‘We holden der met op.’ Onlangs vroeg ik een jongen: Naar welke school ga jij? Dat weet ik nog niet, antwoordde hij. Hij zat in groep 7 en was bezig een middelbare school te vinden. De jongen interpreteerde ‘gaan’ als ‘zullen gaan’.

Veranderingen

  1. Wat staat er te gebeuren? Wat stijt der te gebeuren? Wat gaat er gebeuren? En ja, ook de Groninger variant: Wat gijt der gebeuren? heb ik gelezen. Kortom, streektalen lijken het gaan-gebruik in het Nederlands te volgen. Het statische staan is vervangen door het beweeglijke gaan.
    Zal ‘Hij staat op het punt te vallen’ worden vervangen door ‘Hij gaat snel vallen’?
  2. Er werd gezegd: We zullen wel zien. Nu is het: we gaan het zien, we gaan het meemaken. Let op, de zinnen zijn in bedrijvende vorm, eerste persoon enkelvoud/ meervoud, en de toekomende tijd is omgezet in een tegenwoordige tijd.
  3. ‘Ik zal het doen’ is geworden ‘Ik ga het doen en voor ‘k zel t doen’ hoor je ook ‘k goa t doen’.
    Met ‘gaan’ klinkt het actief en vastberaden, je gaat er zo mee aan de slag. Zou je zeggen ‘Ik doe het’, dan klinkt dat te actief, alsof je er al mee aan de gang bent.

Vertraging

Er is ook een toepassing van gaan met juist een effect van vertraging, alsof de realisatie van een doel, het behalen van het resultaat wordt uitgesteld. Het gaat om werkwoorden die gericht zijn op doel en resultaat en bij het gebruik van ‘gaan’ meer een proces-insteek krijgen. Alsof de zin het karakter krijgt van de Engelse progressive-vorm. Het sluit aan bij de suggestie van veel hedendaags taalgebruik van erg bezig zijn en aan de gang zijn. Een paar voorbeelden:

  • Meer reclame gaat een hogere verkoop geven. Waarom niet: Meer reclame geeft een hogere verkoop.
  • Als je bij de pakken gaat neerzitten, gaat er niets meer gebeuren.
  • Daar gaan we tegenaan lopen vs ‘Daar zullen we tegenaan lopen’.
  • Deze tegenvaller betekent dat het project later uitgevoerd zal gaan worden.
  • Het huis staat er al heel lang, het gaat oud worden.
  • Als ze meer tijd gaat hebben, wil ze een poster maken.
  • ‘Je gaat denken dat het altijd zo is geweest’. Het wekt bij mij de indruk alsof de hersenen van deze persoon wat traag op gang komen.
  • Ik ga jullie niet vermoeien met details. Ik zal jullie niet vermoeien (zoiets als willen).
  • Een bijzondere zin: We zullen het moeten doen. Met ‘gaan’ wordt dit: We moeten dit gaan doen. Het bijzondere aan deze zin is dat de toekomende tijd omgezet wordt in een tegenwoordige tijd in een zin met een ‘procesmatig’ doen. Conclusie is dat ‘gaan’ en ‘zullen’ niet geheel dezelfde betekenis hebben in de zin, want ze passen niet op dezelfde plaats en zijn dus niet inwisselbaar. (‘We gaan dit moeten doen’, kan wellicht wel in Vlaanderen, maar mijn inziens niet in Nederland.)

Betekenis

‘Gaan’ heeft altijd veel betekenissen gehad: zich voortbewegen in het algemeen, lopen (te voet; bijvoorbeeld ‘Bloed kruipt waar het niet gaan kan’), beginnen, lukken, willen, een proces dat voortschrijdt/ontwikkelt, voortgaan, bezig zijn. Nu ‘gaan’ steeds vaker de plaats van ‘zullen’ inneemt, komen er betekenissen bij: kunnen, moeten, zullen, verplicht zijn, lekker je ding doen.

Nog een grapje in het Gronings: A vragt boer: Hoe gijt t met peerd? Boer: n Peerd gijt nijt, peerd lopt. A: Hoe lopt t peerd? B: t Gijt. (Hoe gaat het met het paard? Boer: Een paard gaat niet, maar loopt, etc).

Dat veel nieuwe betekenissen mogelijk zijn, wordt ook gevoed doordat ‘gaan’ een scala aan uitdrukkingen kent al dan niet met voorzetsels en zelfstandige naamwoorden: overgaan, ondergaan, gaan over, ingaan op, uitgaan, uitgaan van, voortgaan, tegengaan, ondergaan, aangaan, er tegenaan gaan, aan de slag gaan, overstag gaan.
De vraag dringt zich op: Wie zal dit allemaal uit elkaar gaan houden? Of wie gaat dit uit elkaar houden. Het wachten is op nieuwe formuleringen als:

  • Zij gaat ervanuit moeten gaan, dat het toch gaat gebeuren.
  • Het paard gaat er zeker vandoor gaan als het op hol gaat slaan.
  • Als het zo doorgaat, gaat het er zeker van moeten gaan komen.
  • Wij gaan zeker ergens tegenaan gaan lopen, als deze column blijft doorgaan.
  • Als het zo doorgaat en steeds niet gaat zoals het wenselijk is dat het gaat, dan gaan we er meer tegenaan moeten gaan, om er niet onderdoor te gaan.

Plicht

Waar komen deze veranderingen vandaan, kun je je afvragen? Waar komt die opmars van ‘gaan’ vandaan? Sommige mensen denken dat taal zich spontaan ontwikkelt. Dat is een idee. Maar als je kijkt naar onze samenleving zijn er weldegelijk mensen en instanties die baat hebben bij het gebruik van bepaalde woorden. Vanuit de politiek is men al meer dan 50 jaar bezig ons ervan te overtuigen dat we zelfstandige, weldenkende en zelfredzame mensen zijn. Daar hoort een taalgebruik bij, dat appelleert aan individualiteit en originaliteit. De media, reclame, marketing en marktdenken maken daar ook slim gebruik van.
Zo hebben we ons een mensbeeld geschapen van actieve burger, zelfbewuste cliënt, zelfredzame ondernemers (ook medewerkers in dienst bij een organisatie) en calculerende consument. Daar past geen verplichting en dwang bij.

Zullen kent veel betekenissen: 1) Behoren 2) Dienen 3) Horen 4) Hulpwerkwoord 5) Moeten 6) Verplicht zijn 7) Willen 8) Zal 9) Zou 10) Zouden. Het verplichtende karakter wordt ‘zullen’ in onze taal mogelijk fataal. In ons land zijn ‘verplichten’ en ‘moeten’ geen termen die we graag horen. De verplichtende uitstraling doet mogelijk het werkwoord ‘moeten’ ook de das om.

Het werkwoord ‘moeten’ kent op zich wel zes tot acht betekenissen, maar die zijn tegenwoordig niet aan iedereen besteed. Bij een zin als ‘De straten zijn nat, het moet geregend hebben’ zou een lezer kunnen denken: Dat moet de regen toch zelf weten? Alleen een zin als: ‘Als het zomer is, dan moeten Nederlanders met vakantie, klinkt iedereen als een redelijke uitspraak in de oren’.

Is het erg dat ‘zullen’ minder wordt gebruikt? Actief taalgebruik geeft toch een mooie sfeer aan zinnen, er gebeurt iets, het is levendig? Je kunt je ook afvragen of die reclameteksten op internet en tv daadwerkelijk zo stimulerend zijn.  Vergeleken met de publiekszenders hebben de commerciële programma’s en reclames een ADHD-tempo van spreken.  Als je kijkt naar tv-programma’s in andere talen (Engels, Duits, Frans, Nederlands, Pools), dan hebben de reclames in die verschillende landen meer overeenkomsten dan verschillen.
Ik vraag me af voor hoelang de suggestie van levendigheid kan voortduren voordat de sleur toeslaat en devaluatie van begrippen plaatsvindt. In het digitale tijdperk van gevoelens en meningen uiten en consumeren volgens de laatste behoefte, wordt vaak de suggestie gewekt dat het uiten van de wens, al het begin is van de realisatie. Mensen willen op hun wenken bediend worden.

Het elimineren van woorden met eigen betekenis en gebruik heeft wel consequenties voor andere woorden die gedijen en floreren in het licht van de toekomst. Woorden bewust verwijderen uit de taal, zonder goede vervangers leidt tot verarming. Mogelijk dat woorden als ‘geduld’ en ‘wachten’ ook minder gebruikt worden en dezelfde weg dreigen te gaan.  Met het verbannen van ‘zullen’ uit onze taal, laten we ons een deel van onze toekomst afnemen. Er wordt ons de illusie opgedrongen dat we in een eeuwig nu leven, dat we het nu uitstrekken naar een bestemde toekomst. Onze toekomst wordt bij het oud vuil gezet om te kunnen leven in het ‘altijd nu’. Ga je mensen meekrijgen? Jawel, het kan echt gaan gebeuren.

 

 

NB.
20 augustus jl. werd er een monument onthuld met een gedicht van Willem Tjebbe Oostenbrink.

“n Openstoande brug is n gat ien e tied
allenneg met geduld te dichten.”

 

 

Geplaatst in Column.