Een Italiaan in Nederland

door Hans Franse


Mijn Italiaanse buurman reisde naar Nederland, bezocht een ‘stazione balneare’ (badplaats) waar hij niets aan vond. ‘Lelijke stenen gebouwen en je ziet niet eens de zee’, zei hij. Het bleek dat hij in ‘Sjeevenien-gen’ was geweest en de strandafslag had gemist. Van de Zwolse straat komend was hij links af de Gevers Deynootweg opgegaan en had geen afslag gezien. Bij de Keizerstraat reed hij weer terug naar Den Haag.
Als hij die afslag wel had genomen had hij ook weinig zee gezien, want het ‘flaneren met koets of automobiel’ is niet meer zo leuk als vroeger toen koninginmoeder Emma in haar koets haar dagelijkse tochtje maakte langs de boulevard. Mijn buurman komt terug om met mij een ‘èrinkie’ te eten.
Hoe kwam hij aan zijn kennis van Nederland? Zoals voor veel Amerikanen het boek van Mary Mape Dodges uit 1865 ‘Hannes Brinker or the silver skates’ bepalend was voor hun kennis van het land en het reddende jongentje dat met het duimpje de woeste zee tegenhoudt (zie het 18e hoofdstuk, daarna het beeldje bij Madurodam) zo was voor Italianen het boek ‘Olanda’ van Edmondo de Amcis uit 1874 bepalend voor de interesse in Nederland.

Het is te leuk om er niet even over te schrijven Ik heb de kaft gereproduceerd.
Hij vaart met een stoomboot door de Zeeuwse wateren naar Rotterdam, bezoekt Amsterdam. Hij geniet van Den Haag, dat hij breed opgezet vindt, maar ’s avonds donker en somber. Wandelend bij het Huis ten Bosch overkomt hem iets.
Ik was van plan dit paleis te gaan bezichtigen en ik stond er nog voor, te zoeken naar de ingang, toen ik een dame van een voornaam en minzaam voorkomen eruit zag komen en in een rijtuig stappen. Ik hield haar voor een Engelse reizigster, die het paleis ook bezichtigd had: de wagen ging vlak langs mij heen, ik nam mijn hoed af, de dame knikte met het hoofd en verdween… Een ogenblik later vernam ik van een kamerdienares, dat die reizigster niemand minder was dan Hare Majesteit de Koningin van Nederland.’

Wandelend door Den Haag valt hem iets op…..Van de eerste dag af had ik in de straten van ‘s-Gravenhage vrouwen ontmoet die zo vreemd gekleed waren, dat ik er een van volgde om al de bijzonderheden van haar kostuum nauwkeurig op te nemen. Op de eerste aanblik verbeeldde ik mij dat ze tot een godsdienstige orde behoorden of bedevaartgangers waren of vrouwen van het een of ander zwervend volk dat door Nederland trok. Ze droegen een geweldig grote strohoed met gebloemd sits gevoerd: een monniksmanteltje van serge, gevoerd met rode stof…. Des morgens zag ik ze naar de markt gaan met een mand met vis op het hoofd of met een kar waarvoor alleen honden gespannen waren… Een Hollander aan wie ik vroeg wat dat voor vrouwen waren gaf mij slechts ten antwoord ‘Ga naar Scheveningen’.  De vrouw links op het omslag is dus een Scheveningse.

De Amicis loopt dan naar Scheveningen: De weg daarheen is een rechte straatweg, aan beide zijden met prachtige iepenbomen beplant, die geen zonnestraal doorlaten. …deze weg, des zondags de geliefkoosde wandeling der Hagenaars, is in de week bijna altijd verlaten… De dichte plantengroei, het lommer en de stilte doen aan het bos van het Alhambra van Granada denken. Men denkt niet meer aan Scheveningen en men vergeet dat men in Holland is.
Aan het eind van de wandeling bevindt onze Italiaan zich …midden in de duinen, in het zand, in de woestijn; men voelt een zilte wind in het aangezicht en hoort een dof en machtig geruis: men klimt op een hoogte en heeft de Noordzee voor zich.
De indruk van de Noordzee is voor onze Italiaan overweldigend: iets nieuws en aangrijpends. Het water is nooit stil, schuift en dringt met een woedende kracht op het strand aan en het onafgebroken en eindeloos uitgestrekte geruis der golven schijnt een klacht en bedreiging tegelijk te zijn. Zee lucht en land… zien elkaar aan als met onheilspellende blikken, als drie onverzoenlijke vijanden.
Daarna gaat hij naar het dorp ‘…dat op de duinen ligt die het zodanig verbergen dat men van het strand niets anders ziet dan de suikerbroodvormige kerktoren…Het is in twee delen verdeeld. Het ene deel bestaat uit elegante huisjes van alle gedaanten en alle kleuren, voor vreemdelingen ingericht, met het ‘Kamers te huur’ in allerlei talen. Het andere deel bestaat enkel uit zwarte hutten en straten, waar de vreemdelingen nooit een voet zetten… De bevolking bestaat bijna geheel uit vissers, voor het merendeel zeer arm.
Er was al een soort vlaggetjesdag: De haringvloot zeilt gewoonlijk in de eerste helft van juni uit, onder begeleiding van een stoomkorvet, naar de kusten van Schotland… De eerste haringen worden zo spoedig mogelijk naar het vaderland gezonden en in een wagen met vlaggen versierd naar de koning gebracht, die het geschenk met vijfhonderd gulden beantwoordt.
Er gaat niets boven Scheveningers: ..het meest originele en poëtische volk van Nederland.
Maar ondanks hun contacten met de grote stad :..hebben ze het karakter van een primitief volk- -zoals ze voor eeuwen waren zijn ze nu nog-, bewaard. Ieder van hen blijft in het eigen dorp, ieder is er geboren; dat spreekt vanzelf, ze trouwen slechts onder elkaar, ze spreken een eigen taal en ze zijn allen op dezelfde wijze gekleed en in dezelfde kleuren die de vader hunner vaderen droegen.
De badplaats is in opkomst met de twee badhuizen op de duinen, met de badkoetsen: Dan komen er dames uit die zich in het water dompelen, terwijl ze de gouden lokken ten prooi laten aan de zeewind.
Hij vertelt nog veel meer, praat ook over de vele schilders, maar het hoogtepunt van zijn bezoek is een zonsondergang op de duinen bij de ‘Naeld’. Hij schrijft poëtisch: In Holland sterft de zon…en de koelste mens zou zich zo een afscheidsgroet laten ontglippen?

Geplaatst in Column.