Rob de Vos-prijs 2021 Eervolle vermeldingen (II)

De winnaars van de Rob de Vos-prijs zijn bekend en ook de eerste vier dichters die een eervolle vermelding van onze jury kregen. Het wedstrijdthema vindt u in de eerste link. Vandaag de laatste drie dichters die met hun gedicht genomineerd werden en een eervolle vermelding kregen. Met het vakkundige jurycommentaar bij de gedichten.

 


(Fotograaf Hanneke Verkleij)

Arjan Jonker (1980) woont in Wervershoof en is van beroep een SEO tekstschrijver, hij is eigenaar van een tekst- en trainingsbureau. Het schrijven zit hem in het bloed. Het dichten is een vooralsnog een hobby, maar een persoonlijke website om mee naar buiten te treden, heeft hij al. Hij is huisdichter bij de plaatselijk krant en volgde een poëziecursus bij Ingmar Heytze. Arjan is inmiddels van plan om te blijven dichten en wel tot aan zijn dood! De nominatie voor de Rob de Vos-prijs vindt hij een fantastische aanmoediging hiervoor.

Haasje over

Hoe vaak vermoorden ouders hun kinderen?
Ik weet nog goed hoe mijn ouders mij
voor het eerst vermoordden – tot zover ik
me herinner. We gingen op vakantie.

Zes jaar oud zat ik eeuwig op de achterbank, toen
mijn vader toesloeg, wetend hoe weerloos ik was.

“Ik weet een leuk spelletje tegen de verveling!
Dode dieren tellen langs de weg.” Ik verveelde me
niet.

Tot dat moment onzichtbaar drongen ze zich
plotseling op: uiteengereten hazen, vogels, egels
vossen en in België opvallend veel reeën.

Stervend sprong ik van dier tot dier – speelde
haasje over met de dood – tot ik in Frankrijk bezweek
aan de aanblik van een kat.

“Lieverd, we zijn er”, fluisterde mijn moeder
in Spanje. Ik opende mijn ogen en keek voor het eerst
op tegen ons tijdelijk verblijf. Mijn grafsteen
die me hellend toeknikte.

Jurycommentaar

(Inge Bak)

De titel doet vermoeden dat het een lichtvoetig gedicht betreft maar de beginregel ontkracht dat direct zodat je de insteek in een ander licht beziet: dit is geen kinderspel maar gaat over leven en dood – het leven van een haas is over. De eerste strofe roept vragen op. Is degene die is vermoord zelf aan het woord? En hoe dan? Of is er ‘iets’ anders in/van die persoon dood? Dat maakt dat je wilt weten hoe het zit. Het prozagedicht laat zich beeldend lezen. Moeiteloos verplaats je, je in het kind op de achterbank dat van zijn vader dode dieren moet tellen. Met nadruk op moet. Iemand die aan het begin van zijn leven staat, wordt met zijn neus op de sterfelijkheid gedrukt. Niet alleen op die van de doodgereden dieren maar ook op die van hemzelf – de gedachte daaraan is moordend. Denk je voor de laatste regel een klein verhaal te hebben gelezen, keert het slot dat met een poëtische, veelzeggende zin om: ‘Mijn grafsteen die me hellend toeknikte’, het betreft niet alleen het spelletje onderweg waar het kind aan onderdoor gaat maar de ouders in het algemeen die een verstikkende uitwerking hebben op de eigenheid van het kind. Knap ook hoe ‘ons tijdelijk verblijf’ in dezen een dubbele lading krijgt toebedeeld: de tijdelijkheid van een vakantie gelijk aan die van het bestaan.

_________________________________________



(Fotograaf Frans Ouwejan)

Laura Mijnders (1991) woont in het hoge noorden en we kennen haar als dichter. Op dit moment is Laura actief als voorzitter van project ‘Dichter bij het Verleden’, werkt zij als columnist bij de UKrant en is ze verkozen tot huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen. Haar werk werd gepubliceerd in Avier, Schoon Schip, Meandermagazine, op Krakatau.nl en in diverse bloemlezingen. In 2014 publiceerde Uitgeverij Voetnoot te Antwerpen, de bundel Nachtschade.

Mistkind

Ik had doodstil in ons bescheiden tuintje gestaan
de boel gadegeslagen als een soldaat op een
uiterst belangrijke missie, met de vingers van
mijn rechterhand vormde ik een pistool, me afvragend
of ik de trekker op een dag zou durven overhalen

die dag had iedereen al aan tafel gezeten
er informeerde bijna nooit iemand naar mijn afwezigheid
dat ging wel vaker zo, met zoveel broers en zussen
ontaardt een gezin al snel in een doolhof
en ik onttrok me dankbaar aan hun zicht

ik leerde het uitblijven van mijn aanwezigheid
te omarmen, speelde met wat ik aantrof in de oorlogsdampen
en leerde onderwijl dat de betekenis van het woord naweeën
niet altijd met het baren van een kind te maken heeft,
maar eerder met iets dat voortduurt en pijn doet

een beetje zoals de mist die me aan het zicht van
mijn familie onttrok en me nog lang achtervolgde,
pas jaren later trekt zoiets op

Jurycommentaar
(Janine Jongsma)

De titel is intrigerend en roept meteen een beeld op van een kind in de nevel met een teruggetrokken karakter. In strofe één blijkt het een kind te zijn dat grote onmacht ervaart, dat ‘een soldaat op een uiterst belangrijke missie’ is en een denkbeeldige pistool wil overhalen. In strofe twee blijkt dat het kind het pistool wil richten op het eigen gezin. Het is een groot gezin als ‘een doolhof’ en het kind wordt niet opgemerkt, het houdt zich ook liever gedeisd. In de poëtische eerste zin ‘ik leerde het uitblijven van mijn aanwezigheid te omarmen’ van strofe drie staat dat het ‘leerde’ om zich alleen te redden, het had eigenlijk geen keus dus maakte het kind er het beste van. Dan volgt de grimmige zin: ‘speelde met wat ik aantrof in de oorlogsdampen’, dit duidt erop dat het gezin vrij explosief was. Het kind ving in ‘afwezigheid’ wel het woord ‘naweeën’ op, ‘iets dat voortduurt en pijn doet’.  In de laatste strofe begrijpen we de titel: ‘een beetje zoals de mist die me aan het zicht van / mijn familie onttrok’. Dit gedicht is sterk omdat er in parlandostijl verhuld gesproken wordt over emotionele verwaarlozing van een kind dat opgroeit tussen knallende ruzies. Het gedicht heeft een goede samenhang (‘soldaat’ ‘missie’ ‘pistool’ ‘oorlogsdampen’) en het schrijnt. Het past goed bij het thema van Inge Bak. In de eerste miniatuur: het eenzame kind dat zich onttrekt aan het gezin en in tweede miniatuur zouden we de geestelijke wanorde kunnen zien die het kind beheerst.

_____________________________________________



(Fotograaf Yolanda van der Wal)

Annette Akkerman (Maarssen, 1962) is van origine chemicus en werkt nu in de voeding. Ze schrijft korte verhalen, gedichten en haiku. Werk van haar is opgenomen in bundels, bloemlezingen en tijdschriften. Ook op Meander verschenen eerder een aantal gedichten. Ze won meerdere prijzen met haar schrijven. Leuk detail is dat op verschillende plekken in de openbare ruimte in Nederland en België gedichten van haar te vinden zijn. Dat past perfect bij haar, want het liefst doolt ze rond en laat ze zich inspireren door alles wat op haar pad komt.

vluchtbeweging

haar verdriet is zacht als de veren die ze verzamelt
het dons van het kuiken dat ze eens was, denkt ze
terwijl ze haar verzameling op grootte sorteert
zich afvraagt of een vogel zijn veren mist en wanneer

loopt ze in de weg zoals de haas, geschept door de auto
misschien had ze niet moeten schreeuwen toen hij
het beest, zoals hij het noemde, met de punt
van zijn cowboylaars de berm in schoof

zou ze kunnen verdwijnen zoals soms een eiland
moet je eerst kunnen vliegen om te kunnen vluchten
of is het genoeg om wolken te verzamelen

ze doopt een veer in inkt, trekt nauwgezet
tijgerstrepen naar een verre toekomst
leest de vlekken in haar hand

Jurycommentaar
(Herbert Mouwen)

Van een vrouwelijk persoon in het gedicht wordt haar verdriet vergeleken met veren die ze verzamelt en dat doet haar denken aan haar kinderjaren. Het is een mooie verbinding van vier elementen: zij-persoon, emotie, metafoor, koppeling aan het verleden. Een veelbelovend begin van het gedicht, met de schakelregel ‘dat ze eens was, denkt ze’. Over wie gaat het gedicht nu precies? Over een dier? Of betrekt de zij-figuur het op zichzelf? In het gedicht vraagt ze zich enkele zaken af die leiden tot bijzondere vergelijkingen. Dit zich afvragen wordt associatief met elkaar verbonden. Niet al deze vragen worden beantwoord, het gedicht blijft ook na herlezing iets mysterieus houden. De dood van een haas en hoe daarmee wordt omgegaan door een man staat centraal in het gedicht. Het gedicht heeft de vorm van een sonnet met een wat vrijere vorm wat de regellengte betreft. Na de wending vraagt de zij-figuur zich af of ze kan verdwijnen. Nee, maar ze kan wel schrijven… met een veer.

Geplaatst in Recensies, Rob de Vos-prijs.