Ivo de Wijs leeft dit jaar een halve eeuw van pen en stem.

Na zijn studie Nederlands werkte Ivo de Wijs (Tilburg, 1945) in het onderwijs. Al snel stopte hij daarmee en richtte samen met boezemvriend Pieter Nieuwint het Kabaret Ivo de Wijs op. In de jaren 80 begon De Wijs met de presentatie van het bekende, lang lopende radioprogramma ‘Vroege vogels’. In de jaren 90 deed hij samen met Nieuwint ‘Literair Variété’, gevolgd door ‘Literair Varié2’.

De Wijs werkte mee aan talrijke radio- en televisieprogramma’s. Presentator was hij bij symposia en letterkundige bijeenkomsten. Teksten van zijn hand verschenen in allerhande tijdschriften. Hij afficheert zichzelf als tekstdichter, is meester in het genre van light verse en schreef naast dichtbundels kinderboeken. Bovendien bezorgde hij bloemlezingen van het werk van Drs. P, van Nico Scheepmaker en, weer samen met Nieuwint, van John O’Mill. Hij ontving diverse onderscheidingen en prijzen. De laatste jaren verschenen dichtbundels in samenwerking met Judith Nieken, respectievelijk zijn neef Theo Danes.

Interview door Inge Boulonois.

Fotograaf: Olivier Middendorp

 

Je bent menigmaal gelauwerd, onder andere met een Edison, de Gouden Harp, Zilveren Reiss-microfoon, Zilveren Griffel, Kees Stip-Prijs, Groenman-Taalprijs. Cabaret, radio, musicalliedjes, jeugdliteratuur en light verse, wat heb je allemaal niet gedaan.
Volgens mij schreef meer dan duizend liedteksten, onder andere voor een coryfee als Jasperina de Jong. Op de LP Tour de Chant zingt ze uitsluitend liedjes van jou. Wat je verdiensten betreft zou je, na een halve eeuw in het vak, heerlijk op je lauweren kunnen rusten. Vraag is of je dat wilt. Bij een van de uitreikingen van de Willem Wilmink-poëzieprijzen in Almelo vertelde je me dat je niet meer dichtte. Dat was een aantal jaren geleden. Hoe is het nu met de schrijfinspiratie?
Het zijn zo’n 1400 liedteksten, maar misschien is dat een vertekend aantal: soms geeft een uitvoerende een lied een nieuwe of afwijkende titel, en dan moet je het opnieuw declareren.
Beste Inge, de ontdekking dat ik 50 jaar beroeps ben, dank ik aan jou. Als cabaretier trad ik voor het eerst op op 22 januari 1965, (samen met Pieter Nieuwint, zie ook verderop), maar pas in 1971 besloot ik het onderwijs te verlaten en – in navolging van Drs, P – te gaan leven van pen en stem.
Toen ik 65 werd, heb ik een tijdje niet geschreven, omdat het niet meer hoefde. Van lieverlee greep ik echter toch weer naar de pen. Mijn dochter en schoondochter wilden graag dat ik iets zou schrijven voor en over mijn kleinkinderen. Ik maak af en toe een nieuw versje voor een optreden om niet steeds hetzelfde te hoeven doen. En op stiekeme momenten schrijf ik hoofdstukjes van mijn memoires. Die zijn niet voor publicatie bedoeld, maar zijn een inventarisatie van aardige mensen en bijzondere voorvallen voor eigen gebruik. Tegen het vergeten.
Ook duikt er af en toe nog een klant op. Ik heb twee teksten geschreven voor de kundige zangeres Britta Maria. Haar man Maurits Fondse heeft die op muziek gezet en bij één van de twee (Drone) is zelfs een echte clip gemaakt – met een drone.
Zondag, 17 oktober, beleefde Nijntje, de musical zijn première in Utrecht, de stad van Nijntjes schepper Dick Bruna. Het is niet helemaal een nieuw werkstuk, want we gebruiken liedjes uit de vorige Nijntje-musicals (Joop Stokkermans is niet meer bij ons en kon, helaas, geen nieuwe composities maken) en ook het verhaal bevat bekende elementen, maar hoe dan ook: het script en het gros van de liedteksten zijn van mijn hand. In Buurman & Buurman gaan kamperen zitten ook liedteksten van mij en voor De dag dat ik Robert Long ontmoette heb ik het script gemaakt. Het jongste talent uit De dag dat ik Robert Long ontmoette heet Julia Herfst. Zij is de kleindochter van Jasperina de Jong. Ja hoor, ik heb dus tekst geleverd aan grootmoeder en kleinkind.
Vorige week heb ik vanwege de Kinderboekenweek in de klas van mijn kleinzoon Sam (8) een lesje over kinderboeken gegeven. Ik bereid dat voor alsof ik naar Carré moet, met een heuse PowerPointPresentatie op het DigiBoard en mijn Zilveren Griffel onder de arm. Ik geniet zeer van zulk kruimelwerk en ben blij dat ik daar nu de tijd voor heb. Bij mijn eigen kinderen (nu 44 en 41) ben ik daar nooit aan toe gekomen. Ik moest de kost verdienen.
Ik ben lid van Het Heen- en Weerschap. Dat is het genootschap dat zich inspant de rijke werken van Drs. P onder de aandacht te houden. Door de corona hebben we een tijdje stilgelegen, maar ik ben nu samen met illustratrice Elisa Pesapane bezig aan een Drs. P-kinderboek. De vermeende kinderhater heeft namelijk wel degelijk het nodige geschreven voor de lieve jeugd.
Kortom, uit hoeken en gaten kwamen er verzoeken om toch maar weer eens iets op papier te zetten en vervelend vond ik dat niet. En ach, wat moet ik anders. Ik doe niet aan sport of volksdansen en je moet toch wat met je tijd.           

Uit wat je hebt gedaan, spreekt een grote passie voor taal en natuur. Op internet las ik dat je niet zo van de platgetreden vraag houdt hoe die is ontstaan. Op het web was ook te vinden dat je ouders liedjes voor familiefeesten schreven en dikwijls cabaretplaten draaiden. Liefde voor de natuur begon pas te groeien toen je aan het radioprogramma Vroege Vogels ging meewerken. De afgezaagde vraag naar de humus van je passie, hoef ik nu niet meer te stellen. Wel zou ik willen weten wat je zelf als hoogtepunten van je carrière beschouwt.
De mooie jaren met het Kabaret Ivo de Wijs, zelf schrijven en optreden en dat dan samen met getalenteerde en alleraardigste vrienden als Pieter Nieuwint, Aggie Terlingen (die eigenlijk ook Nieuwint heet, omdat ze Pieters zus is), Richard Fritschy en wijlen Marnix Kappers. ‘Wij tegen de wereld.’
De musical Lang leve de opera voor Jasperina de Jong en Lieuwe Visser met opvallende nummers als De Wals van Weleer en De seizoenen (muziek: Joop Stokkermans)
De drie kinderboeken over de onfortuinlijke kaper Zwarte Jan de Houtepoot (deden, helaas, niet veel stof opwaaien, maar zijn na te lezen op mijn website. Tekeningen van Ivo de Weerd (waar is hij gebleven?)
Losse nummers als Om alles voor Jasperina de Jong, Zing dan! voor Jenny Arean, De Optocht voor Britta Maria, Paal voor het Kabaret Ivo de Wijs, enz.
Voor Vroege Vogels maakte ik voor elke uitzending een lang vers en een kort vers. Dat heb ik 20 jaar volgehouden, 50 keer per jaar. Veel maakwerk, maar ook veel leuke verzen. Veelal vrolijk van toon, want toen ik eens iets maakte dat wat somberder was, vroeg de redactie: “Wat is er met je? Ben je bij de dokter geweest?”
Memorabel is nog de bewerking die ik maakte van de Mei van Gorter voor Vroege Vogels. Een uur lang poëzie en omringende muziek met Inge Diepman als het meisje Mei en Midas Dekkers en ik als de vertellers.

Je dichterlijk debuut dateert van 1974. Samen met Drs. P en je boezemvriend –  dichter, componist en pianist – Pieter Nieuwint schreef je de bundel ‘Olleke bolleke’. Een ollekebolleke is een vers met stringent gebonden eisen. Je eerste solodebuut Dat rijmt (Bakker, 1988) bevat kindergedichten. In datzelfde jaar zag Vroege vogels vogels (Amber) het licht, je eerste, ‘volwassen’ solobundel, samengesteld naar aanleiding van het populaire radioprogramma Vroege Vogels. Twee geestige, woordspelige kwatrijnen daaruit:

Fuut

Hier is de fuut, zoals u ziet
Zich van de nestbouw aan het kwijten
Met wier en eendekroos en riet
En andere futiliteiten
Hop

Twee hoppen gaven te Den Haag
Elkander blijde schouderklopjes
Hun droom kwam uit. Zij wilden graag
Een nest met hopen Haagse hopjes

Nagenoeg al je gedichten zijn metrisch en rijmen. In een VPRO-interview onthulde je eens dat de behoefte aan rijm soms bijna tot manie werd. Als je vrouw bij het ontwaken ‘goede morgen’ zei, antwoordde jij ‘wat zal ik voor het ontbijt verzorgen?’ Zelf kan ik tal van slechtere manieren bedenken om een dag te beginnen, maar dat terzijde. In de jaren 80 verscheen Het Rijmschap (compleet). En nog meer lief en leed. (BZZTôH,1984), een speelse doch grondige handleiding in de vorm van een briefwisseling tussen jou en Drs. P waarin jullie naast de stijlfiguur van vol- en stuntrijm allerlei onderwerpen aansnijden. Kun jij de lezers vertellen wat het concrete effect van rijm en metrum op een gedicht is?
Voor Drs. P (een van mijn leermeesters naast Tom Lehrer, Georges Brassens en Jules de Corte) bestond er alleen vormvaste poëzie. Zo ver ga ik niet. Ik heb ook wel verzen geschreven die niet rijmden en regels met een onvoorspelbaar ritme. Maar het is waar, ik hou van rijm en metrum. Waarschijnlijk komt het omdat ik begonnen ben als liedjesschrijver, waarbij ik aanvankelijk ook mijn eigen componist was. Een liedtekst moet geramd in elkaar zitten, anders kun je er geen behoorlijke melodie bij maken. Toen ik voor de radio verzen ging schrijven, wist ik dat je zo’n vers niet zou kunnen teruglezen. Het moest bij eerste beluistering duidelijk, begrijpelijk zijn. In zo’n geval moet je metrum en rijm gebruiken: een goedlopende zin is helderder dan een brij van woorden. En rijm helpt ook: je begrijpt een woord sneller als het een rijmwoord is, want de klank van de uitgang is vaak al een keer gepasseerd. Er is bijvangst: rijm geeft een gedicht zangerigheid (een lied kan niet zonder rijm) en rijm en metriek helpen een rijm snel uit het hoofd te leren. Een ambachtelijk werkstuk sorteert meer effect dan een ordeloos samenraapsel. Wie een vaste vorm wil gebruiken, ontdekt dat dat altijd bouwsels zijn die rijm en metrum gebruiken, terwijl er ook vaak lettergrepen geteld moeten worden. Ik hecht nogal aan vakmanschap. Ik heb eens gewerkt met een echte dichteres (drie of vier bundels) die ik uit moest leggen wat een sonnet was. Ze had geen idee. Ach, wie choreograaf of beeldhouwer wil worden, dient een gedegen opleiding te volgen, wie dichter wil worden, schroeft een bordje met de tekst ‘dichter’ op zijn deur.

Je poëzie is bijna altijd humoristisch, tegelijkertijd sijpelen realiteit en grote themata er onmiskenbaar doorheen. Maatschappijkritiek is expliciet aanwezig in je nostalgische vers ‘De overdoener’ (Uit: Vroege Vogels Jubileumverzen; Nijgh & van Ditmar, 2003).

De overdoener

Hij is er blindelings naartoe gereden
Het blonde strand, het zonnige terras
Maar ach, het is niet meer zoals het was
Het vorig jaar was dit de Tuin van Eden

Nu is het druk en duur, nu gaan en masse
Toeristen langs de bezienswaardigheden
De mooie feniks van een jaar geleden
Verdomt het te herrijzen uit zijn as

Het kleine dorpje waar hij ongestoord
De volle zon ving en de golven kliefde
Is nu een ordinair vakantieoord

Hij voelt hoe de herinnering verflauwt
Niets vreselijkers dan een oude liefde
Die met een foute druiloor is getrouwd

Tot slot: had je in die halve eeuw ruimte voor hobby’s?  En heb je misschien een bucketlijst van wat je nog graag binnen of aan de rand van je vakgebied wilt doen?
Ik had een mooi plan. De oude Nederlandse literatuur is geheel uit het zicht geraakt. Is dood. Wordt niet meer gelezen. Wordt niet meer gekend, Na mijn afscheid van Vroege Vogels ben ik teruggekeerd naar de Neerlandistiek en heb ik bewerkingen gemaakt van Woutertje Pieterse en de Camera Obscura. Dat had het begin moeten zijn van een reeks. Ik wilde graag de verzen van Bredero hertalen. Ik wilde Sara Burgerhart weer toegankelijk maken, net als Ferdinand Huyck. Het zal niet meer gebeuren. Ik botste op tegen een verbond van literatuurkenners en literatuurrecensenten die gezamenlijk met hun reet boven op die ouwe boeken zitten. Ze willen niet dat iemand er aan komt. Die ouwe boeken zijn van hullie. Hun boze kritieken en stompzinnige meningen (‘het tweede deel van Woutertje Pieterse is met opzet traag en vervelend’) hebben me het plezier geheel ontnomen.

Mijn hobby’s zijn niet opzienbarend. Het verzamelen van overlijdensadvertenties is aan de bedenkelijke kant. Dat ik op grond van mijn roomse verleden ook heiligenbeelden verzamel (en daar over schrijf) maakt weer wat goed. Ik lees graag en kook graag, wandel wat en maak af en toe een rustig reisje met mijn vrouw Elleke. Aan echte verre reizen zal ik niet meer toekomen. Niks opzienbarends. De componist Johan Vanden Eede met wie ik heel veel liedjes maakte voor Samson & Gert wil als hij dood zal gaan een oeuvre achterlaten dat staat als een huis. Ik ben blij dat ik geen last heb van zulke verlangens. Als ik dood ben, is het voorbij.

Met welk gedicht, Ivo, zou je dit interview willen afsluiten?

In Stilte, ook wel In alle stilte.

Een vriend van mij, een vriend van mij had kanker
Maar goeie vrienden laat je niet alleen
Al wist ik dikwijls niet wat ik moest zeggen
Ik ging er elke week toch even heen

In feite zou ik gister weer gegaan zijn
Dat hoefde niet meer, zei het ochtendblad:
“Gestorven onze zoon en broer en zwager…
In stilte gecremeerd…” en dat was dat

In stilte jee, waarom in alle stilte?
Het was zijn laatste wens, dat stond erbij
Ik snap ‘t niet, dat zou hij mij niet aandoen
Dat is gewoon gelogen volgens mij

Ik ga niet in een hoekje zitten huilen
Ik scheur ook het behang niet van de wand
Maar toch: waarom is sterven en begraven
Verbannen naar een hoekje van de krant?

‘k Heb ook een advertentie laten zetten
Je wilt toch wàt, als afscheid, als besluit
“Dag Jaap, ik zal je heel erg missen – Ivo”
Maar Jezus, wat zag dat er lullig uit!

Als ik ooit doodga, kom dan allemaal maar
En hou je flink of snotter, alles mag
Vooruit, laat ‘t maar druk zijn en luidruchtig
Ik zorg wel voor de stilte op die dag

Uit Het gaat goed met Nederland, een door Jaap Bakker geredigeerde keuze uit de liedteksten van Ivo de Wijs (Nijgh & Van Ditmar,2001)
Geplaatst in Interviews.