‘Ik hou van jou, maar je ziet me niet’

door Hans Puper

Caspar David Friedrich

Antjie Krog stelde in de interviewbundel/het fotoboek Een mogelijk begin van veel dat dichters technisch gezien allemaal hetzelfde vertellen, namelijk ‘Ik hou van jou, maar jij ziet me niet.’ Al eeuwenlang. Hoe moeilijk het ook is, jonge dichters en kunstenaars moeten ontdekken hoe dat nog niet is gezegd of uitgebeeld, anders kunnen ze net zo goed stoppen: ‘Je begint te schrijven omdat hoe jij dit zegt, je nergens anders vindt’. Ik dacht direct aan Nescio, die je uit duizenden herkent: ‘[Als] je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes altijd aan den overkant van de gracht. En zo werd zijn heele leven één gedicht, wat ook vervelend wordt’. Nescio blies alle stof van het reeds lang gekende.

Krogs uitspraak ‘Ik hou van jou …’ is wat gechargeerd, maar als je hem ruim neemt, kom je een heel eind. Onvervulbaar verlangen, het eeuwige gemis – een onderdeel van de menselijke staat – valt er ook onder. Bovendien kun je hem als metafoor zien, voor poëzie bijvoorbeeld. De Amerikaanse schrijver, essayist en dichter Ben Lerner schreef in het indrukwekkende essay Waarom we poëzie haten dat ieder gedicht tekortschiet en slechts een afspiegeling vormt van het verlangen “om voorbij het eindige en tijdelijke te komen – voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid – en om het transcendente en goddelijke te bereiken.” Dat onbestaanbare volmaakte gedicht dat de dichter tegen beter weten in hoopt te schrijven en dat Lerner het virtuele gedicht noemt, laat zich niet of nauwelijks zien achter het feitelijke gedicht. Niet alleen de dichter, maar ook de verliefde lezer staat in de kou.
Rozalie Hirs ziet het anders. Zij zegt in dezelfde interviewbundel als Krog: “Als ik een gedicht schrijf, maak ik iets wat nog niet bestaat, ik treed in dialoog met dat onbekende. Ik wil het gedicht leren kennen, ik zeg: ‘Ja, ik houd van jou, gedicht. Vertel mij, wie ben jij?’ Het gedicht spreekt terug, het wordt zichzelf terwijl ik het schrijf, en beïnvloedt mij. Ik leg het natuurlijk de woorden in de mond, dat doe je als schrijver, maar tegelijkertijd ben ik op zoek naar het nieuwe. Als het gedicht ook ‘ja’ zegt, wordt het een constructief gesprek. Dan heb je vriendschap of liefde met dat gedicht gesloten”.

Maar laten we even dicht bij de letterlijke betekenis van Krogs uitspraak blijven. Onvergetelijk is het Egidiuslied uit eind veertiende, begin vijftiende eeuw. De ontroostbare dichter mag zijn vriend niet volgen in de dood, omdat hij nog aardse verplichtingen heeft: hij ‘moet nog zinghen een liedekijn’. Het eerste couplet snijdt door je ziel:

Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn
Du coors die doot du liets mi tleven
Dat was gheselscap goet ende fijn
Het sceen teen moeste ghestorven sijn

Zo’n vijfhonderd jaar later verbreekt God zijn relatie met Reve, die verderleeft met de moed der wanhoop. Net als Nescio zegt Reve alles op geheel eigen wijze:

DRINKLIED AANGAANDE HET LEVEN OP AARDE

Alles is op, zelfs drank waar ik niet eens van houd.
Maar alles heeft zijn voor en tegen.
Zodoende zit ik wel vol moed:
al hebt Gij mij verworpen en verstoken van Uw licht,
ik ga gewoon door, of er niks aan de hand is.

Miskende liefde is een onderwerp dat bij uitstek geschikt is voor humoristische gedichten. Een van de beste vind ik ‘Aan Betsy’ van Piet Paaltjens, zoals bekend het pseudoniem van François Haverschmidt (1835 – 1894). Om er ten volle van te genieten, is het goed om de vroege Romantiek even in herinnering te brengen. De verbeelding, de verering van de woeste, huiveringwekkende natuur, de lange zwerftochten in eeuwenoude wouden, de lieflijke dalen waar goedhartige herders en herderinnen hun schapen hoeden. En natuurlijk de extatische liefde en haar keerzijde, een ondraaglijk diepe droefenis, soms met zelfmoord tot gevolg.

En nu Paaltjens.

AAN BETSY

Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos
In hartverovrend achtelooze houding lag
Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch
Langzaam doordwaalden. ‘t was een vreeslijk heete dag.

Gij hield mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog
Van ‘t lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok
Door ‘t dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog
Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.

Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk
Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat
Voor smaak wel ‘t lot had, dat het aan een veldflesch schonk,
Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.

O, ware ‘t noodlot niet alleen behept met koud
Verstand maar ook met warm gevoel, – uw poezle hand
Had plots de flesch, zoordra ze leeg was, door het woud
Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.

Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,
Dat de inhoud nog al koppig was, – ‘t was witte port, –
En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. –
Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.

De enige bundel van Paaltjens, Snikken en grimlachjes, heeft veel invloed gehad. Het dichterschap van Lévy Weemoedt is er zelfs sterk door gekleurd. ‘Je begint te schrijven omdat hoe jij dit zegt, je nergens anders vindt’, zei Krog, maar dat gaat voor hem niet op. Had hij zich daarom de moeite van het dichten beter kunnen besparen? Dat vind ik niet. Een beperkt aantal gedichten had ik niet willen missen, zoals ‘Levensmoe’:

Ik hief mijn hoofdje uit de kinderwagen,
en zag voor ’t eerst de mensen om mij heen.
Ik stelde nog een paar gerichte vragen
en wist genoeg. En was gelukkig weer alleen.
Geplaatst in Column.