Anton Korteweg – Enfin

Al aardig onderweg

door Herbert Mouwen




Enfin, de veertiende dichtbundel van Anton Korteweg is een jubileumuitgave met vijftig nieuwe gedichten, want het is vijftig jaar geleden dat zijn debuut Niks geen Romantic Agony verscheen. De bundel bevat vijftig gedichten, verdeeld over vier afdelingen. De eerste afdeling opent verwachtingsvol met de titel ‘Een lucht nog vol met dagen’. Het openingsgedicht is een ‘Reisadvies’ dat ingaat op zijn opvatting dat een dichter slechts een beperkte ruimte nodig heeft voor zijn poëzie. De eerste drie strofen:

Wie niet had gezien wat dichtbij was
die mocht niet naar ver weg,
daar was opa heel makkelijk in.

Op zich vond hij reizen wel best
maar binnen steeds ruimere kringen
met als middelpunt ’t Oude Nest:
eerst Klundert, dan Willemstad pas,
Dordt eerder dan Rotterdam;
je mocht niet overspringen.

Binnen je cirkel blijven: goed idee.
Een beetje als Pascal. Doe er je voordeel mee.

Het advies van opa komt dwingend over. Je moet eerst je eigen omgeving leren kennen, voordat je weg mag. Vertrekpunt is het oude nest, wat in dit geval de geboorteplaats Zevenbergen van Korteweg is. Klundert is een naburige gemeente en Willemstad ligt weer wat verder. Dordt ligt ook dichter bij Zevenbergen dan Rotterdam. Samengevat: langzaam en cirkelgewijs je ruimte vergroten, je mag niet ‘overspringen’ en je moet in je cirkel blijven. Tevens verwijst hij naar de wis- en natuurkundige Blaise Pascal (1623-1662) van wie in zijn Pensées (1670) de woorden zijn: ‘Alle ellende op de wereld wordt veroorzaakt, doordat mensen niet gewoon thuis kunnen blijven.’ Het gedicht eindigt met de veelzeggende vraag: ‘wat zoekt een mens toch in het buitenland?’

Anton Korteweg wordt niet voor niets de meester van de ironie genoemd. Er is vrijwel geen gedicht in de bundel waar ik niet om heb moeten (glim)lachen. Niet dat vrolijkheid troef is in de poëzie van Korteweg, zo is het niet, want deze dichter heeft in zijn gedichten ook een zuiver gevoel voor melancholie, zeker wanneer hij gedichten over zijn jeugdherinneringen schrijft. Hij is geen komische maar meer een humoristische dichter die het tragische met het komische in zijn gedichten verbindt. Inderdaad, ik proef iets van de speelse toon van Carmiggelt die deze twee elementen ook op fraaie wijze kon koppelen. De eerste drie strofen van het tweede gedicht ‘De sliert der geslagenen’ wil ik de lezer niet onthouden.

In Weidevenne (wijk in Purmerend)
stapte een jeugdige reus
met een hoofd als een liggend ei
in oranje shirt de trein in;
geen interland te bekennen.

Een messcherpe hazewind
met tussen de achterpoten
een trillende staart als een vleeshaak
drentelde aangelijnd mee.

Ik werd bewogen met
wat je vroeger ontferming noemde
of ook wel mededogen
en dacht: Jongen, neem toch een vrouw.
Een huishouden raad ik niet aan,
daar gaat je gezicht maar naar staan.

De jeugdige reus heeft ‘een hoofd als een liggend ei’, de hond een ‘staart als een vleeshaak’ en hoe kan een gezicht naar een huishouden gaan staan? Hoe ziet dat gezicht eruit? Over plastisch taalgebruik gesproken. Wie een glimlach kan onderdrukken, mag het proberen. Mij lukt het niet.

De tweede afdeling ‘Een ding van schoonheid maakt je blij. Voor even’ bevat gedichten die afbeeldingen van beelden en schilderijen beschrijven; ze zijn achterin de bundel opgenomen. De vraag blijft waarom ze niet naast de gedichten zijn afgebeeld, dat voorkomt geblader van de tekst naar de foto’s en terug. De kracht van de gedichten in deze afdeling is dat de dichter in staat is op geheel eigen wijze de stilstaande beelden door middel van zijn tekst tot leven weet te brengen. In het gedicht ‘De linker van Fouquet’ fietst de ik-figuur naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen om het schilderij Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen te bewonderen, waarop een blote borst te zien is. Een hele onderneming voor de jonge knaap: ‘zo’n honderddertig kilometer heen en terug / door polders, bossen, Noorderkempenland’. Hij wordt onderweg gestraft en krijgt ‘seffens een lekke band’.


(Jean Fouquet – Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen ca. 1455)

De gedichten van Korteweg gaan over dorpen en steden, zoals over zes jongeren in het centrum van Leerdam en over het bedwingen van de heuvel Woldberg in Steenwijk op de fiets, een heuvel die 26 meter(!) hoog is. Culemborg, plaats aan de rivier de Lek is onderwerp van een reeks van vier gedichten: ‘Je ligt gewoon aan de Lek, meer aan het spoor dan de weg’. De Culemborgse brug die de ik-figuur in de verte ziet is ‘een reuzenbadmuts glinsterend in de Lek.’ De fiets is voor de dichter een gewild vervoermiddel om al die plaatsen te bereiken, hoewel de ik-figuur ook vaak de trein neemt.

In de derde en vierde afdeling van de bundel is meer aandacht voor het ouder worden en de ongemakken die daarbij horen. De ouderdom komt met gebreken. In het gedicht ‘Al aardig onderweg’ somt hij ze op: ‘twee brillen, gehoormachientjes, / tranend oog af en toe in de kou, / bijna niks meer kunnen onthouden, / defect linkerbeen, winterteen, / knobbel op grote teen, / ’s nachts soms een pistoolvinger, / rugpijn – dus ’s morgens opdrukken – , / twee stramme computervingers; / ik loop niet zo soepel meer leeg.’ Over het krijgen van een gehoorapparaat bevat de bundel een kostelijk gedicht dat vooral de ruis en de bijgeluiden benoemt en niet de ‘zever, grootspraak en gekakel’ die de mensen allemaal uiten. Een strofe uit ‘Over wat ik beter hoor met een apparaatje achter het oor’:

Ik hoor, ik noem maar wat, het knisperend gekraak
van kniegewrichten als ik trappen loop,
’t venijnig kletteren van mijn hobbelende straal,
het snerpend zitten van mijn handen in het haar.

Veel gedichten, die op de linker pagina afgedrukt zijn, bevatten op de rechterpagina onderaan een commentariërend, vetgedrukt kwatrijn; soms zijn ze direct onder het gedicht zelf afgedrukt. De dichter reflecteert op luchtige wijze op zijn zelfgeschreven gedicht. Zelf noemt Korteweg deze kwatrijnen bakstenen; een aantal ervan zijn zelfs in 2019 als zelfstandige gedichten uitgegeven.

Zo kort als de titel van de bundel Enfin is, zo breedvoerig zijn de gedichten uitgewerkt. De lange, beschrijvende titels boven de gedichten, die nogal eens beginnen met ‘Over…’ doen negentiende-eeuws aan. Anton Korteweg is een stilist, zijn tragikomische gedichten verpakt hij zorgvuldig; ze bevatten strofische vormen, in het algemeen zonder eindrijm, halfrijm komt voor in zijn gedichten. Korteweg verwijst geregeld naar het werk van andere dichters, zoals Richard Minne, Piet Paaltjes, J.C. Bloem, Theo Sontrop. Elke afdeling begint met een kort gedicht van deze dichters, dat de thematiek van die afdeling aankondigt. Hij gebruikt citaten uit gedichten van Willem Kloos in twee verschillende gedichten: ‘nauw zichtbaar op een lichte zucht’ en ‘om bloemen in de knop’. Ook ‘onnoemelijk te vervelen’ van Godfried Bomans’ Spleen komt voorbij. Enfin is een boeiende dichtbundel die de lezer veel biedt. Korteweg is een kundig dichter, hij heeft oog voor zijn voorgangers en hun poëzie en maakt gebruik van hun werk. Nee, echt modern is de dichter niet. Hij is wel een oorspronkelijk dichter, dat blijkt onder meer uit het kwatrijn ‘Had dat niet wat anders gekund?’:

De dag ging open als een gouden roos.
Dat was bij Gorter. Hebben we gehad.
Alles wordt minder. Maar de morgenstond
als gore, natte ribbeltjeskartonnen doos?

____

Anton Korteweg (2021). Enfin. Meulenhoff, 88 blz. € 19,99. ISBN 9789029094818

Geplaatst in Recensies.