Cees Nooteboom – Vos

De eenzame dichter op weg naar het ‘al tijd’

door Johan Reijmerink




Voor Vladimir Jankélévitch in zijn boek La Mort (1963) staan ons leven, onze levensloop en levensduur onder het gesternte van het onomkeerbare, het onherstelbare en het onherroepelijke tot de dood er een einde aan stelt, en het ‘nooit meer later’ intreedt. Juist doordat de mens weet dat hij moet sterven, kan hij denken, lijden, liefhebben en bovenal scheppen. En vooral dat laatste geldt voor de wijze waarop de dichter Cees Nooteboom zijn leven zin heeft gegeven.

Nooteboom mijmert in zijn nieuwe bundel Vos (2022) over het overleden zijn van vrienden, collega-dichters, een enkel familielid, en indirect ook over zijn eigen naderende dood. In zijn vorige bundel Afscheid (2020) stelde hij zich al voor hoe het afscheid van het leven zich aan hem zou kunnen voordoen. De voorbereiding op het niets, de leegte, de grote stilte, het non-existente ego tekent zich opnieuw in deze bundel af. In een aantal gedichten schuift zijn ziel als onpersoonlijk bewustzijn zich over zijn denkende geest. De bundel is bescheiden van omvang, gedichten van uiteenlopende omvang en gedaante, veelal verhalend van karakter vol ‘geheime tekens’ en ‘bevroren’ ogenblikken. Het zijn vrije verzen die niet droevig of melancholiek zijn, maar wel raken aan de grens van leven en dood. Zachtjes klinkt er een verlangen naar het eeuwige in door.

De ‘Wolken’ uit het eerste gedicht stromen in een optocht over de vlakte: ‘Toen de laatste verdwenen was / rolde de wind zich op / in de stilte , / een gevaarlijke hond.’ De wolken zijn als schimmen ‘van nooit meer hetzelfde / met voor altijd de as en de geur / van het einde.’ Met deze opmaat is de toon van de bundel gezet. ‘De eenzame roeier, // Komt (…) / of gaat hij?’ is de vraag die de ik zich stelt in een wereld waar ‘het al tijd’ is: omdat het tijd is om te vertrekken naar waar geen tijd meer wordt geteld.

Die eeuwigheid dringt zich eveneens op, wanneer de engel de ik in zijn dromen begeleidt in het kerngedicht ‘Plaatsbepaling’ op zijn weg ‘in de heuvels’. Dan overmeestert hem een werkelijkheid die het begrip te boven gaat. Op een plek ver van de zee waar de wind is gaan liggen, loopt ineens een engel, een gezant Gods naast het dichterlijk ik. De zee is voor Nooteboom een mystieke plek als het gaat om het ervaren van stilte, stilstand, eenzaamheid en eeuwigheid. Deze engel gelijkt op het dichterlijk ik: ‘Vleugels die hij / niet uitslaat’, (…) ‘en een stem als een klok voor een onmogelijke / boodschap.’ Aan zijn voetstappen is te horen alsof hij iemand is die de tijd meet: ‘Hij heeft me verteld dat ik dood ben , / ik heb dus geen tijd meer, / maar ik voel niets’, hoewel de ik nog gewoon kan horen en ruiken. Deze droomwerkelijkheid omwikkelt alles wat herkenbaar is. Leven en dood lijken in de ik verenigd. ‘Wie wie hier begeleidt / is onduidelijk.’ Twee inéén: dubbelgangers?! Ze lopen zwijgend verder: ‘Als hij plotseling begint te praten’. De engel zegt een schaker te zijn en spreekt over schaakbewegingen en maakt bewegingen in de lucht. Dat roept bij de ik de herinnering op aan zijn vriend, de schaker Jan Hein Donner: ‘nu allang dood, / nooit meer gezien. Waar blijft toch alles?’ Zo af en toe openen zich de vleugels van de engel, zonder dat de ik begrijpt waarom. Merkwaardig tegelijk te bedenken dat Donner als gereformeerde niets van engelen zou begrijpen. Even later volgt een verwijzing naar de Annunciatie van Tintoretto waarop de engel Maria schrik aanjaagt. Zo’n verwijzing naar de beeldende kunsten is iets wat Nooteboom vaak doet om de universaliteit van het gedicht kracht bij te zetten. Opnieuw vraagt de ik zich af hoe dat dan is, dat vliegen? Pas later ontdekt hij het antwoord, wanneer de engel ‘plotseling / de machtige vleugels uitslaat’, en verdwijnt boven de afgrond.’ Als de engel hoorbaar uit het zicht is, zegt de ik: ‘alleen ben ik nu, met alles wat ik / nog had willen vragen.’ Op dat moment geraakt de ik uit zijn droombewustzijn. Hij vraagt zich daarop af hoe het met Donner, Mulisch is. Het dichterlijk ik weet zich aangeraakt door een goddelijke boodschapper. De engel zegt niet hoe hij heet, waarom hij ineens verschijnt of hij een man of een vrouw is en waar vandaan hij vertrekt. Op het moment dat de ik zich alleen voelt, ervaart hij alsof hij dood is, ‘zo alleen / in de heuvels’. Elke voetstap die hij zet, is een tel maar een tel die niet meer in de tijd meetelt: ‘het wordt niet [meer] donker.’ In dit belangrijke gedicht beweegt Nooteboom zich in het grensgebied van leven en dood, werkelijkheid en droom.

Vanuit dat perspectief vraagt hij zich in het gedicht ‘Fabel’ af of er nog ‘echo’s’ van zijn werk zullen ronddwalen na zijn dood en men voor lege schermen zijn leven zal zoeken. Daarmee hangen ook samen de ‘Vragen’: ‘hoe het staat met ‘een vroeger of later / ogenblik dat slijt waar je bij bent.’ Nooteboom voelt zich als een machteloze dichter ‘aan de kustlijn / schrift van vogels, dwalend in gedachten / zonder uitgang, onderdaan van woorden, // koning van niets.’ In het gedicht ‘Het boek en de uil’ over Jan Vanriet is het dichterlijk ik ‘op jacht / als een uil’ naar woorden. In de ‘Groene nacht’ raakt hij opnieuw ‘verdwaald / aan de hand van de dichter // in het zwarte licht van zijn droom.’ Hij memoreert Gerrit Kouwenaar wiens dichterschap tegengesteld is aan het zijne: ‘Men was de denktrant van een andere dichter / in een totaal witte kamer, sprekend van / elckerlyc, / in zinnen van argwaan en liefde.’ Nooteboom ziet in hem ‘de tekenaar stil als een wijze / zonder retorten en kolven, en toch / de gewoonste woorden / in inkt en van potlood / veranderd in marmer.’ Soms oppert hij in het gedicht ‘Gemengde berichten’ over de Zweedse dichter Lars Gustafsson dat het ‘het beste [is] de raadsels de raadsels te laten. / Of niet?’ Rake woorden van Nooteboom die zichzelf dikwijls afvroeg: wat is de betekenis van mijn dichterschap? Heeft mijn dichterschap een voortbestaan?

In het gedicht ‘Vos’ sluipt een zwarte vos door de witte sneeuw. De dichter trekt zijn spoor door de taal. Alles bij elkaar ‘geheime tekens in het middaglicht, / bevroren ogenblik, opgeschreven nu.’ Van dat ogenblik is enkel ‘maar dit / gedicht’ over. Collega’s gaan in gedachten aan de dichter voorbij, van Campert tot Grunberg. Het lijkt wel alsof ze ook al zijn waar hij naartoe op weg is.

Naast de Hongaarse dichter Miklos Radnoti gaat de aandacht sterk uit naar één van Nootebooms grote voorbeelden Joseph Brodsky die in de VS wonend in het Russisch bleef schrijven. Brodsky staat voor een intuïtief gedreven dichterschap waarbij de structuur van het gedicht essentieel is. Nooteboom situeert hem zittend op een bank voor een huis in Venetië, de stad waar hij ook later op het dodeneiland San Michele begraven zou worden: ‘Hij rook / de dood in zijn gezicht, en lacht.’ Deze balling leidde net als de wereldreiziger Nooteboom een nomadisch bestaan. Naar Venetië waar het water zwart is, keert Brodsky telkens weer terug, tot ’die ene keer van niet meer en nooit’. Maar dat maakt niet meer uit, omdat hij alles al geschreven heeft.

Het water beweegt en danst, het glanst
met lood en ijzer, aan de overkant van het kanaal
een paleis met een deurpost van marmer,
geschonden als zijn gezicht.

Net zoals aan de stad Venetië is het leven aan de dichter niet ongeschonden voorbijgegaan.

In het raam achter hem een oude lijst,
het portret er uit, zijn gezicht kan er in,
rokende dichter uit Rusland. Mij ziet hij niet,
want doden kunnen niet kijken, en toch,
die lach daagt mij uit en zegt zie je dan niet
dat het mij niets kan schelen, ik heb al
zoveel wereld gehad, het wordt tijd voor de gondel,
en leg mij dan naast die andere dichter,
want daar lig ik goed, daar hoor ik het water.

Levend water! Deze goede raad van Brodsky verdient navolging. Misschien dan wel niet in een graf op San Michele, maar dan toch minstens op Zorgvlied in Amsterdam, ook dicht bij het water. Voorlopig kan onze dichter nog genieten van zijn ‘Bucolica’, zijn Spaanse eiland omgeven door bomen, wilde weilanden met geiten en ezels. Als een schrijvende dichter-herder doet hij een ernstige poging nog ‘om te blijven, / stuurloos tussen stormen en verbeten stiltes? / Blijven als soort of als zelf?’ Toch is er telkens weer dat besef van weinig tijd, de klok zonder adem die zijn cijfers vernietigt, ‘dat zijn de vragen in die / golvende regels in een tijd die nog steeds / als dode bestaat.’ De nachtelijke lezer koestert de woorden, maar komt in geen enkel gedicht voor. ‘Een schuwe waarheid’ over dood en leven ‘wijst op zichzelf, / wijst op mij.’ Met deze gedichten heeft Nooteboom een kleine maar meditatief aansprekende bundel geschreven waarin hij de eeuwige stilte voelt naderen.
____

Cees Nooteboom (2022). Vos. Uitgeverij Koppernik, 48 blz. € 19,50. ISBN 9789083174464

Geplaatst in Recensies.