Koenraad Goudeseune – Nagelaten gedichten

Een allerlaatste gooi naar licht

door Herbert Mouwen




Woelwater, recalcitrante auteur, gefrustreerde dichter die snakte naar erkenning, onmogelijke man, dwarsligger, verschoppeling, ‘rara avis in een onverschillige wereld’. Wanneer je je verdiept in de levensloop van de dichter en schrijver Koenraad Goudeseune (1965-2020), dan kom je deze negatieve kwalificaties bij de critici tegen. Terecht? Het leidt in ieder geval af van het lezen van zijn gedichten. Goudeseune was ongeneeslijk ziek en koos voor euthanasie in plaats van een chemobehandeling die hem weinig kans op genezing bood. In deze laatste fase van zijn leven schreef hij een reeks afscheidsgedichten. Twee jaar na zijn dood is van hem een fraai uitgegeven bundel Nagelaten gedichten verschenen. De bundel bestaat uit drie delen. Het eerste deel ‘Gedoemd maar groots’ is een inleiding op de poëzie van Goudeseune van Benno Barnard en Rob Schouten. Daarna volgen 50 gedichten onder de titel ‘Ik heb voor niks geschreven’. Het derde deel ‘Laatste woorden’ bevat 21 sonnetten. Het eindigt met ‘Excellent’, dat vrijwel alle aspecten van zijn dichterschap bevat:

Dit moment vreesde ik van meet af aan: de pen die wordt dichtgeschroefd,
het kladschrift dat wordt dichtgeklapt. Woordenboeken finaal in de kast.
Alles gezegd wat er te zeggen valt, op tijd een punt gezet. Ik nam mij voor:
ik maak er nog een drieluik van, dat geeft me extra tijd. Waarom haast

als slenteren kan? Maar in poëzie is er niks doorzichtiger dan een dichter
met maar één troef: meanderen. Niet het meanderen zelf natuurlijk,
De Schelde meandert nabij Zevergem en dat is mooi, maar dat doet de
rivier niet zelf, zij kan enkel stromen naar de fysica van het land,

het getij, het debiet dat berekend kan. Meanderen in een vers —
indien alleen dát gezocht, is koketteren met een kunde die er eigenlijk
geen is. Is schoonschrijverij en slaapverwekkend. Ja, ook in traagte

moet er vaart. Welnu, ik rep me. Laat mij, bij wijze van spreken, een
kwieke terdoodveroordeelde zijn die eerder dan zijn beul klaar staat
op ’t schavot en hem nog grijnzend vraagt: ‘Waar bleef je, excellentie?’

Dit is de stijl van Goudeseune: recht voor zijn raap, niets en niemand ontziend, ook zichzelf niet, maar altijd op zijn eigen dichterschap reflecterend. Het zijn de woorden van een ‘kwieke terdoodveroordeelde’ voor wie schrijven het allerbelangrijkste in zijn leven was. Als dichter voelde hij zich miskend en mislukt. Toch zet hij boven zijn laatste gedicht zonder aarzelen de titel ‘Excellent’ en dat is meer dan een woordenspel met het laatste woord ‘excellentie?’ van het gedicht.

In een overzicht van het dichterschap van Goudeseune wijzen de inleiders erop dat zijn poëzie ‘liefdespoëzie, maar geen juichende liefdeslyriek’ is. Het zijn gedichten voor en over de (aanbeden) vrouw, die in een aantal gevallen beschouwd kunnen worden als ‘zangen, tot poëzie gesublimeerde liedjes’. Hij is een dichter van het fin’amors, maar hij streeft leesbaarheid na en er moet geregeld plaats zijn voor humor, ‘hij zal er menig pretentieuzer of experimenteler collega in Vlaanderen mee om de oren slaan’. Sarcasme en ironie is hem niet vreemd. De twee grote thema’s in zijn poëzie zijn de liefde en de dood, beschreven in verzen ‘vol hartstocht en wanhoop’, zoals in het gedicht ‘Uw afzijn valt te bang’: ‘Ook morgen zul je hier niet zijn, het gedicht / dat ik later schrijven wou, vangt met deze woorden aan.’ Toch zijn in de afdeling ‘Ik heb voor niks geschreven’ andere thema’s te ontdekken. Goudeseune schrijft in verschillende gedichten – al is het zakelijk – over de stilte, zoals in het afsluitende terzet van het openingsgedicht ‘Silentium’: ‘(… ) Stiller dan een kat van porselein, stiller dan het geflakker / van een kaarsvlam boven een leeg blad dat leeg zal blijven, / stiller dan geschiedenis die staart en lijdt – stiller nog ben jij.’ Uiteraard gaan er veel gedichten over het verlopen van de tijd, over de vergankelijkheid: ‘Tevergeefs is alles, de prille dag neigt al naar de middag – de avond is er al.’ Ook stelt hij vragen aan de poëzie over hoe die geschreven dient te worden en wat de betekenis ervan is, alhoewel hij voortdurend twijfelt. In ‘Mist’ staat deze strofe: ‘Er zijn, geloof ik, twee manieren om dit gedicht te lezen. / Misschien is die van jou deze: waar heeft die man het over? Met ieder verstrijkend ogenblik is die van mij wanhopiger.’

In de derde afdeling ‘Laatste woorden’ dat opent met een sonnet met dezelfde titel spreekt de dichter van ‘Een allerlaatste / gooi naar licht, een gebaar slechts aan hem gegeven wiens doodsklok / ruim op voorhand luidt’. Aan de titel van de 21 gedichten is te zien welke onderwerpen er in deze afdeling over zijn naderende dood aan bod komen en wat de ik-figuur bezighoudt. Het zijn voor de lezer herkenbare thema’s, soms op een weinig oorspronkelijke manier uitgewerkt, maar de herkenbaarheid is groot en daarom kunnen deze gedichten indringend op de lezer overkomen. Enkele titels zijn ‘Overtocht’, ‘Nature morte’, ‘Muziek’, ‘Erotiek’, ‘Foto’, ‘Erfenis’ en ‘Rede’. Het gedicht ‘Kerst’ opent met de versregels ‘Vorig jaar was mijn laatste kerst. Het was ongeveer weer als nu. / Iets onbestendigs tussen herfst en winter’. En ‘Domicilie’ gaat over de ‘laatste woonst’ van de dichter, ‘Een appartement aan de stadskaai’. Goudeseune is een romanticus, hij speelt op het gevoel en de verbeelding van de lezer. In zijn latere werk en zeker in deze afdeling is hij ook een (dag)dromer. Een wanhopige dromer die nooit heeft gevonden wat hij zocht, die nooit echt kreeg van zijn lezerspubliek wat hij wilde, die nooit bereikte wat hij nastreefde, namelijk erkenning. In het gelijknamige gedicht spreekt hij zich daarover voor de laatste maal uit. De laatste versregel luidt: ‘Ik weet bijna zeker dat na mijn dood erkenning wacht.’ Als je dit opschrijft ben je een romanticus pur sang. Natuurlijk is er weer de eeuwige twijfel die behoort bij een romantische levenshouding: ‘bijna zeker’. Hetzelfde gedicht vermeldt ook de twijfel of de dichter vanwege zijn ziekte nog in staat is goede gedichten te schrijven: ‘Of ik de lat nog hoog genoeg kan leggen, betwijfel ik. / Ik vrees dat de lezer mild zal zijn omdat ik stervende ben.’ Markant is dat er niet staat ik hoop, maar ‘Ik vrees’.

Het schrijversleven van Koenraad Goudeseune is gevuld met het publiceren van negen dichtbundels, twee verhalenbundels, drie brievenboeken en een roman. Goudeseune debuteerde in 1987 met een gedicht in het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort. Daarna, na het eindeloos sturen van gedichten aan Herman de Coninck, nam deze enkele verzen van hem in zijn Nieuw Wereldtijdschrift op. Koenraad Goudeseune is een verdienstelijk dichter met een aantal positieve uitschieters. Het op een na laatste gedicht ‘Deur’ is minstens zo opvallend als het al geciteerde laatste gedicht ‘Excellent’. De ik-figuur voelt zich slaperig door de medicatie. Er wordt aangebeld. De laatste tien versregels hebben geen opmerkelijke beeldtaal, maar wel een grote verbeeldingskracht en symboliek. Nu is er wel de zekerheid (‘Ik weet wel zeker’):

Half versuft deed ik open en zag het zoontje van de buren,
een ventje van vijf jaar, half verschoven achter zijn deur, bang
loerend en allengs verstijvend. Ik zag mij plots door zijn
ogen en schrok danig. Minzaam probeerde ik te glimlachen

en hoopte dat mijn verschijning hem niet de stuipen gaf.
We bleven daar aan ons beider deur misschien wel een minuut
staan kijken naar elkaar. Hij werd niet banger, ik voelde voor

het eerst dat ik diepe vrede had met de schim, het wrak,
de stervende. Ik weet wel zeker dat het kind nooit nog eens
aan zal bellen. Langzaam, teder haast, sloot hij de deur.

____

Koenraad Goudeseune (2022). Nagelaten gedichten. Atlas Contact, 96 blz. € 22,99. ISBN 9789025471996

Geplaatst in Recensies.