Poëzie of proza?

door Hans Puper

Ik heb een nog niet gepubliceerde recensie geschreven over Een heel dun laagje van Moya De Feyter, dat bestaat uit zo’n 250 stukjes proza[i]. Of zijn het prozagedichten? Ik herinnerde me dat ik me jaren geleden een vergelijkbare vraag had gesteld in een Klassieker[ii] over ‘Amstelveld’ van Frans Erens (1857 – 1935), de Limburgse en ten onrechte minst bekende Tachtiger. Hij had veel internationale contacten, zoals Stéphane Mallarmé en de naturalist Émile Zola. Beiden waren van belang voor zijn literaire opvattingen, zoals we zullen zien.
Deze column is een bewerking van het eerste deel van de Klassieker.

‘Amstelveld’ verscheen in 1892 in De Nieuwe Gids en Erens noemde het ‘een gedicht in proza’, in navolging van dichters als Baudelaire, Rimbaud en Mallarmé, die eveneens ‘Poèmes en prose’ schreven. Het volgt hier in zijn geheel.

 Amstelveld

Met plassen ligt het Amstelveld; ‘t schijnt dat je er door henen kijkt, door den grond, als door een versleten stuk tapijt. De plassen spiegelen ‘t gouden licht der stijgende zon, stijgend achter de huizenrij van de Prinsengracht.

Zie daar gaat een lange meid. Haar schaduw dooft de plassen in het gaan. Zij loopt vóór: de schaduw volgt: dat weet ze niet.
.    Voor de scholen is het nu de tijd, daar komt het meisje met den fermen stap. Onder den japon van wit katoen werpt zij zware beenen ruw vooruit. Haar blinkend haar in vollen zwaai hangt op den rug in bruine pracht, in vuurgeglim, in vlamgekrul en zijig zacht, terwijl de borst opspringt in den kloeken stap. Zij gaat naar school. De boeken houdt ze in de hand. ‘t Is nu nog een reine meid. Haar wangen rood en wit zijn vol van jeugd en de groote oogen schitteren hel als de plassen van het Amstelveld.

Daar gaat de oude boodschaplooper van een oude firma van de Keizersgracht. Den eenen arm is hij kwijt; hij draagt een pakje met den anderen; waardoor de eene schouder hooger is dan de andere, langzaam zoo geworden. Hij loopt altijd denzelfden weg: misschien trapt hij elken dag op hetzelfde uur op dezelfde grijze steenen van het Amstelveld.
.    De koster van de houten kerk zit voor de glazen maar wel verborgen achter de blauwe horretjes. Vroeg is hij altijd bij de hand.
.    Met plassen glimt het Amstelveld.

Het is niet verwonderlijk dat Erens dit een ‘gedicht in proza’ noemde. Kijk alleen maar naar het eerste zinnetje, ‘Met plassen ligt het Amstelveld, dat een jambisch metrum heeft, ondersteund door klinker- en medeklinkerrijm. Mooi is ook de inversie. Niet: ‘Het Amstelveld ligt vol plassen’, maar ‘Met plassen ligt het Amstelveld’. Dat is zeer beeldend. Alle zinnen zijn zo, lees het stukje maar eens hardop, dan ervaar je dat direct.
Het ritme beweegt mee met datgene wat beschreven wordt. Neem het glanzend bewegende haar van het levenslustige schoolmeisje: ‘Haar blinkend haar in vollen zwaai hangt op den rug in bruine pracht, in vuurgeglim, in vlamgekrul en zijig zacht’.
Stel daar de beschrijving van de oude, afgeleefde pakjesbezorger tegenover, in dienst van een oude firma. Geen jonge, want dat zou hier detoneren. Het ritme en de herhalingen die de monotonie van zijn leven verbeelden, maken moedeloos: ‘Hij loopt altijd denzelfden weg: misschien trapt hij elken dag op hetzelfde uur op dezelfde grijze steenen van het Amstelveld.’
Mooi is ook de spiegeling in dit prozagedicht. Die zien we niet alleen in de plassen, maar ook in de opbouw van de tekst. We beginnen bij de plassen, kijken dan naar een dienstmeid en vervolgens naar het jongere, verwachtingsvolle schoolmeisje. Daartegenover staan de oude man, een minder oude koster en dan zijn we weer terug bij de plassen. Van jong naar jonger en van oud naar minder oud. Het aardige dat op het scharnierpunt de plassen nog even worden genoemd.

In 1893 verscheen ‘Amstelveld’ in de bundel Dansen en Rhytmen, een bundel met schetsen en korte verhalen. Tot mijn verbazing was de typering ‘gedicht in proza’ verdwenen. De reden bleek te liggen in de destijds dominante literaire opvattingen. Erens wilde de werkelijkheid objectief beschrijven en hij was niet de enige: in het Nederlandse proza domineerde het naturalisme. De afstandelijke, observerende verteller past daarbij. Hij wilde echter nog verder in de werkelijkheid doordringen dan de naturalisten. Hij miste bij hen de beweging die volgens hem de essentie is van het moderne en dynamische leven. Beweging verbeeld je door ritme en daarom combineerde hij het beste uit proza en poëzie: een observerende, heldere en ‘koele’ beschrijving in proza, met het gebruik van poëtische middelen om die beweging weer te geven. De verteller als registrerende cameraman!

Om terug te komen op het genre: hangt het van de context af hoe je zijn werk typeert? Zijn het alleen prozagedichten als er ‘gedichten in proza’ of ‘gedichten’ als genreaanduiding op de titelpagina staat? Er valt wat voor te zeggen.

Bert Schierbeek zou dit alles maar gezemel vinden. In een gesprek met John Vandenberg, gepubliceerd in de tweede druk van Het dier heeft een mens getekend (Schierbeek, 1963), zei hij: ‘De gemeenschappelijke stam van de taal [is] de menselijke stem, geworteld in de diepste lagen van het menselijk bewustzijn. Die stem heeft niet speciaal proza of poëzie voortgebracht ter wille van de administrateurs van de Nederlandse letterkunde.’
Het is interessant om na te gaan wat deze opvatting betekende voor zijn werk in deze periode. Mijn volgende column gaat over zijn ‘proëzie’.

____

[i] Inmiddels is de recensie gepubliceerd.
[ii] Literatuurverwijzingen vindt u in de voetnoten van de Klassieker.
Geplaatst in Column.