Proëzie

door Hans Puper

Deze column is een vervolg op mijn vorige: ‘Poëzie of proza?

Een jaar of tien geleden vond ik bij een antiquair Het dier heeft een mens getekend van Bert Schierbeek, dat verscheen in 1960. Het bestaat uit poëtisch proza dat regelmatig overgaat in prozaïsche poëzie of cursief weergegeven poëzie; een vaste volgorde of lengte is er niet. Hoofdstukken zijn niet duidelijk te onderscheiden en soms vraag je je af of die er eigenlijk wel zijn. Leestekens gebruikt hij zeer weinig en hoofdletters al helemaal niet.
Onzin? Nee. Volgens Schierbeek was de moderne mens ver van zijn natuurlijke staat afgedreven en daarmee van de oorsprong van taal, die kunstmatig is geworden. Daar hoort ook de indeling in genres bij. Wie daaraan vasthoudt, verliest het zicht op de gemeenschappelijke stem die is ‘geworteld in de diepste lagen van het menselijk bewustzijn’, zoals hij zei in zijn gesprek met John Vandenberg dat achterin Het dier staat[i]. Zonder adem en klanken geen stem. En onze ademhaling kan rustig zijn of snel, hortend, stotend en opgewonden. Daaraan wilde Schierbeek recht doen met zijn proëzie, maar hij liet het daar niet bij. Hij hield überhaupt niet van grenzen. Anthony Mertens zei in het Kritisch Lexicon: ‘Het opheffen van de grens (tussen het ‘ik’ en de buitenwereld, de vorm en het vormloze, proza en poëzie, filosofie en literatuur, het binnen en buiten, tussen hoge en lage literatuur, tussen verschillende culturen) neemt [in zijn werk] een centrale plaats in.’

Om duidelijk te maken wat Schierbeek onder proëzie verstond, citeer ik een stukje uit de eerste twee bladzijden van Het dier heeft een mens getekend. Het verhaal begint met een gedicht in romein (dus niet-cursief). Daarvan geef ik de laatste vier regels en de overgang in proza, dat weer overgaat in een gedicht.

(…)

de adem gaat de mens in en uit
en blaast door de handen het werk
en bolt in zijn longen het woord
het eenzame teken van zijn kneedbare adem

maar alles zei zij is verdicht en verduisterd en de muziek niet meer de muziek die ik hoorde want de mens staat in overtreding alleen en het woord dat ik spreek is niet het woord dat mij sprak in het oor het ligt vals naast de grondtoon want de adem verandert op de drempel der lippen en is het schreeuwende kind ter wereld gebracht een ander en de klank is niet meer dezelfde die het oor hoorde voor het woord tot een teken werd … maar wat zei zij zou de honger anders zijn dan het einde van een eenzame stem

zo gaat de mens over de aarde en spreekt het nawoord
en is vol vertrouwen en
zegt toromirohout
zegt archipel
zegt de vader ik ga sterven
zegt het kind vader en ziet een steen
zegt de moeder een kus op de mond van het kind
zeggen zij niets en hebben geen woorden
zegt het hart ik klop kom niet over mijn lippen
en zeggen de lippen de adem uit en zijn vol vertrouwen
(…)

Vermenging van genres is van alle tijden. Ook nu zie je dat regelmatig, zoals in de voorlaatste bundel van H.C. ten Berge, In tongen spreken, en de laatste van Esther Jansma,  De spronglaag. Maar slechts weinigen hebben dezelfde intenties als Schierbeek – of bijna dezelfde. In Nederland kan ik alleen Harry Vaandrager bedenken, een schrijver die veel meer bekendheid verdient.
Ik wordt (geen spelfout in dit geval), een boek van 58 pagina’s, gaat over een poging de grenzen van individualiteit en tijd te overschrijden met taal en fictie als middelen. Er komt veel poëtisch proza in voor en een enkele keer lopen proza en poëzie op een natuurlijke manier in elkaar over. Als de ik-smid zijn moeder op de werkbank legt en haar tot leven wekt, blijkt ze hem toe te fluisteren in korte zinnen, met daartussen lange stiltes. Zinnen als de volgende, waarin ook de echo van Remco Camperts ‘Credo’ doorklinkt:

Met het onmogelijke te willen, vergroot je jouw mogelijkheden.
Kom, vergrijp je aan het onmogelijke.
Vloei, stroom, stulp. Nu eens stijgend, dan weer dalend en tel-
kens opnieuw. Pulseer van wat niet bestaat.
En bezig woorden die ontspringen als een rivier en zich vertak-
ken in talloze schuimende stromen, om uit te monden in het
hooggebergte.

Onder de Vijftigers was Schierbeek de enige die proëzie schreef. Dat verbaast niet, want zij waren alleen tegenover de buitenwereld een eenheid, zoals ook Jan van der Vegt in zijn column van 29 mei stelde. In zijn gesprek met Vandenberg zei Schierbeek: ‘De bedrijvigheid was groot. Iedereen was bezig en iedereen inspireerde iedereen. Die iedereen waren dan Lucebert, Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Rudy Kousbroek tot hij naar Parijs vertrok en later Simon Vinkenoog, die zijn ‘Blurb’ uit Parijs iedereen toestuurde die er niet om vroeg. Het was een mooie tijd, een verwarde tijd ook wat de menselijke verhoudingen betrof, en de spiritualiën vloeiden overvloedig. De onderlinge beïnvloeding bestond natuurlijk ook wel, maar die was toch niet erg groot, daarvoor was ieder van ons te zeer bezig met zichzelf. Alleen naar buiten toe trokken we hetzelfde gezicht.’ Schierbeek ergerde zijn vrienden zelfs met zijn proëzie, dacht hij ten tijde van het interview. Maar: ‘Samen hebben we een mooie tijd gehad, nu staat ieder op zichzelf en werkt op zijn eigen wijze en mochten er onder hen zijn die de scheiding proza en poëzie zo belangrijk vinden dat ze door de takken de boom niet meer kunnen zien, dan is dat jammer voor hen.’ Waarvan akte.

_____

[i] Fragmenten uit dit gesprek zijn gepubliceerd in De digitale bibliotheek.
Geplaatst in Column.