H.C. ten Berge – Een kinderoog

De Werdegang van H.C. ten Berge

door Johan Reijmerink




In zijn nieuwe bundel Een kinderoog. De vroege jeugd van Xander Specht (2022) verbeeldt H.C. ten Berge (1938) in de persoon van Xander Specht zijn eigen vroege kinderjaren, de periode 1944-1949. Het motto van Nathaniel Tarn ‘Every child should have an experience of unlimited bliss’ verwijst ironisch naar zijn jonge jaren. Hoe gelukkig kun je zijn en worden in tijden van oorlog, schaarste en wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog? Hij verwoordt de kantelmomenten van zijn geestelijke en fysieke ontwikkeling als kind. Het gaat niet alleen om de vervreemdende wereld buiten de ik, maar ook om de veranderende wereld in hemzelf. Ten Berge kiest voor verhalende poëzie, verdeeld over vijf grote afdelingen die in essentie nog zoveel dubbelzinnigheid in zich dragen dat ze meer zijn dan een beknopt prozaverhaal. De lezer zal zich herkennen in en verwonderen over een kind dat aan de spanningen van de grotemensenwereld tracht te ontkomen door aan zijn eigen verbeeldingswereld te werken.

De kortgeleden overleden dichter Remco Campert zegt in de documentaire Verloop van jaren (2016): ‘het lijkt wel alsof naarmate ik ouder word, mijn jeugd zich scherper aan mij opdringt. Wat recent gebeurt, vervaagt snel, maar het verleden eist zijn plaats op in mijn herinnering.’ De nieuwe bundel van Ten Berge stelt de vraag in hoeverre aan het beeld van die vroege kinderjaren in en na de oorlog valt af te lezen hoe hij tot het schrijverschap is gekomen. André Gide zei het al: ‘Ik ben nooit, ik word.’ Blijkbaar hebben oudere dichters er behoefte aan de balans op te maken en de cirkel te ronden. Cees Nooteboom deed dat kortgeleden in zijn bundel Afscheid (2020).

In de dagdroom van Xander keert ‘de voortvluchtige tijd’ van zijn allervroegste levensjaren in de eerste afdeling terug: ‘Een boze man in Feldgrau’, maar ook een Canadese soldaat die de driekleur heeft gehesen, de Russen die al verder zijn dan Berlijn en een clown die met zijn hoofd in een emmer belandt.

‘Het vijfde jaar’ uit afdeling II bestaat uit zes gedichten. Er volgt een schets van het ouderlijk huis in oorlogstijd: geen elektriciteit, spertijd, licht van de knijpkat die met de hand moest aandrijven. Aardedonker op zolder. Spookbeelden. Zijn moeder op hongertocht die op terugtocht beroofd werd van voedsel door de Duitsers. Dan was er nog vader Specht, ondergedoken tot groot verdriet van moeder en zoon. De onwetendheid maakte onzeker en angstig. Luchtlandingen bij Arnhem en Oosterbeek. Inkwartiering van Arnhemmers, volbloed NSB’ers, op de vlucht voor de geallieerden. Ze verdwenen weer na een paar maanden, zonder dat de jonge Xander dat begreep. Die onwetendheid en al dat onbegrijpelijke dat er voor een kind van zes aan zo’n oorlogssituatie kleeft, weet Ten Berge overtuigend mee te geven aan zijn gedichten.

Hoge koorts, een vreemde ziekte bedreigt zijn gezondheid. Ondertussen zijn er de dromen over een Grote Vrouw die hem wil opsluiten in een duister hol. Na de zomer is voor het eerst de school: leren lezen en je eigen naam leren schrijven. Om alle spanningen af te reageren is er de slappe bedbeer die daartegen niet was opgewassen. Gebeurtenissen die een grote indruk hebben achtergelaten, komen in beeld. Klasgenoot Heintje Buis die verdronken is, en in het bijzijn van de hele klas begraven wordt. Terug naar de koude school waar zijn leesplank, griffel en rekenschrift al zijn verdwenen. Een eerste ontmoeting na de oorlog op de hoek van de straat met Duitsers die nog niet zo lang geleden hier im Kriege waren en hun Zufriedenheit over hun verblijf in Nederland uitspreken. “Verschrikt keek je hem aan, was dit / geen razzia?/ Je wees naar nergens, riep toen / ‘Nix verstaan’/ en hoepelde er gauw vandoor.” Het was nog de tijd van de beerput achter het huis en slechts één auto in de straat. ‘Vrede bracht slechts voorspoed voor de haaien.’ Niet voor de familie van Xander. Commensalen waren nodig om de eindjes aan elkaar te knopen:

Toen kwam Els, een schooljuf, slank, lichtblond;
losgebroken van een nonnenschool was zij
uit ander hout gesneden. (…)
(…)
Was omwolkt door iets losbandigs
want ging graag op stap, zeilde zomers
met twee rijke kerels op de meren,
had al een bikini aan waarin zij haar
als filmdiva fotografeerden.

Een jeugd vol routines, onuitgesproken verboden en verlangens: ‘Wat je deed, deed je intens, fervent / om het huis voor ondergang en onheil te behoeden’. Zijn ouders waren schuchter en zorgzaam, maar fysiek geremd: ‘Dus nooit een kus, omhelzing of een compliment.’ Heel wuft was een avondje uit dat zelden gebeurde, zoals naar de operette Das Land des Lächelns’ van Franz Lehár.

In afdeling III, ‘Negentien achtenveertig: een idylle’ zit het kind Xander nog ‘schuw, nerveus / en bang’ zes dagen op school: ‘De late jaren veertig waren vrij / en veilig als de pest.’ Vrouw Armoede was met ‘duizend en meer / vaders tegelijk getrouwd, / bekrompenheid sloot als een wurgkoord / om de hals.’ In terugblik ervaart de jij dit alles nog sterker dan op het moment zelf, zo lijkt het. Zeker als de jij zich herinnert hoe hij ‘aan zurig / ruikende en zwartgerokte broeders’ niet kon ontsnappen en die flemend dreigend je duidelijk maakten dat je zekere dingen maar beter kon verzwijgen. De huiselijke omstandigheden vroegen nog veel fysieke inspanning zoals de wekelijkse was, het aanmaken van de kachel. ’s Avonds zat de familie rond de tafel met de krant, waarin strips als die van Eric de Noorman stonden. Elke week een spannend hoorspel. Op school waarde Broeder Ster, de kindervriend, rond die ‘jou genadeloos om beide oren sloeg, / zodat je op de keien viel en sterren zag’. Daarna een uur lang op knieën onder het ‘Alziend Oog’. De beleden terreur van de godsdienst. Het seksueel ontluiken vond plaats met de iets oudere Annie die hem liet zien ‘wat haar mankeerde.’ Toen ze daadwerkelijk hem wilde veroveren, vluchtte hij in de leugen van een nieuwe vriendin.

De vierde afdeling omvat uiteenlopende ervaringen die de jonge Xander hebben gevormd. Op een tweedehandse gitaar wint hij de eerste prijs van een gitaarconcours: Schateiland van R.L.Stevenson: ‘zo’n schrijver worden / leek wel wat’. Als een van de weinigen in de klas wist Manus Willemse hem via de radio met zijn klassieke muziek te boeien. Ravotten in de bunkers in de duinen bij Zeedorp leverde avontuur op, en schaafwonden. Zijn emotionele ontwikkeling kreeg een impuls als zijn tante Martje op visite hem tegen haar warme buik en borsten drukte: ‘iets / hemels dat je eerder nooit genoten had’. Van haar keek hij af hoe te kussen. De Groningse tak van de familie zorgde voor veel spanning in het arme gezin. Als het dan zo moeilijk hadden, ‘moest dat jong, die Xander, later / moar nait verder leren en gaan waarken’. Als lid van het knapenkoor maakt hij kennis met Bach en Schubert. Zwemles was een schrikbewind met een buldog als zwemmeester: ‘Het zwembad was een oord / van onheil (…)’

In de ‘Lichtpluim aan de hemel’ werd de jonge Xander plots ‘meegevoerd door een verhaal / met beelden van de dierenriem’. In deze versregels staat voor de eerst de verbeelding in de jij op. Een onvermoed schrijverschap openbaart zich aan hem.

Het bezoek aan de familie in Groningen toont de jonge Xander het initiatief dat hem eigen is, hoewel er ‘Een angstgolf vlijmde door [zijn] lijf: wat te doen / als zij daar niet meer woonde?’ De grootvader van moederszijde ‘rook naar dood, naar iets / wat je nog niet benoemen kon. / Je wist: hier kom ik nooit weerom.’ Het voetballen met de club en het schaatsenrijden waren hartverwarmende ervaringen. Ook de fietstochten door het land brachten avontuur en zelfvertrouwen. En dan is er opeens het Indische meisje: ‘Eefje was het mooiste meisje, even oud als jij’. Ze communiceerden met elkaar in codetaal. Tante Martje diende als voorbeeld hoe te zoenen met Eefje. ‘Niets ging /  vanzelf en je wist niet wat je moest doen’: ‘Je was door een bijzonder wezen / en een ander leven aangeraakt.’

De laatste afdeling, ‘Nihil obstat’, gaat over de weg waarop alle belemmeringen zijn weggenomen om zich te oriënteren op de wereld. H.C. Andersen opende voor hem zijn schatten, maar dat veranderde:

Je ogen lazen stilaan anders
dan ze eerder deden.
Je dronk alles gretig in
om niet te hoeven wezen
waar je was en de grauwte
even te vergeten.
(…)
(…) en uren in een echte,
want verbeelde wereld te leven.

Een veelheid aan verhalen trok langs. Net als vader trok de jij zich niets van de pauselijke censuur aan. ‘Je wilde heiden worden / ook al was je goedgelovig / en trapte je nog overal in.’ Weg bij de zwartrokken, die je toch bij de boeken hadden gebracht. ‘Vlug, wees weg, / verlaat het nest – / vlieg uit, wees / lucht, een wiekslag, / en kom nooit terug.’ Met dit slotakkoord eindigt Ten Berge zijn bundel.

Er viel voor mij veel in te herkennen in deze Werdegang van Xander Specht. Al met al heb ik de indruk dat Ten Berge de bundel bovenal voor zichzelf heeft geschreven om te begrijpen waarom hij afstand heeft genomen van zijn rooms-katholieke opvoeding en in zijn schrijverschap zijn nieuwe religie heeft gevonden.
____

H.C. ten Berge (2022). Een kinderoog. De vroege jeugd van Xander Specht. Uitgeverij Koppernik, 100 blz. € 21, 50. ISBN 9789083237060.

Geplaatst in Recensies.