Christophe Vansteeland – Ik zag een Datsun staan

Ik zie een Toyota, geen Lexus

door Janine Jongsma




Ik zag een Datsun staan is het debuut van Christophe Vansteeland (1969). Zijn gedichten kwamen de afgelopen jaren bij de poëziemagazines bovendrijven. Zo ook bij Meander in 2021. Toen werkte hij nog aan dit debuut. De bundeltitel komt uit het gelijknamige gedicht. Er komen in de bundel overigens opvallend veel automerken voorbij. Vansteeland valt met zijn gedichten met de deur in huis. Hij schrijft concreet en beeldend, zonder sentiment. Als lezer word je soms ontregeld door zijn poëzie, zoals in het gedicht ‘Foto’ uit de afdeling ‘Diaverhalen’:

Foto

Recht in de lens kijken we, hij en ik in de lens.
Die losse das, zijn rokende hand
gekromd rond een bierglas.

We zien de avond die ruikt
naar zeg het maar en het volk
op het plein lacht. We gaan, zegt ze.

Neen! Nog een keer op de botsauto’s
tot we op de steenweg rijden.
Hij zal zijn hand op haar knie leggen.

Eerst de knie. Dan in haar nek.
Zijn duim raakt haar oorbel.
We kijken.

Zij naar hem. Dan naar mij.
We lachen onze blikken vast.
Wuiven naar het maïsveld.

Een mooi en eenvoudig tafereeltje van een paar jonge onbezonnen mensen op de kermis, zo lijkt het. We kijken naar een foto van twee jongens. In strofe twee worden we als lezer meegenomen naar de avond dat die foto genomen werd. In strofe drie beseffen we dat we op de kermis zijn en dat er ook een zij aanwezig is, die logischerwijze de foto heeft genomen, maar dan zijn we alweer op de terugweg. Voor de lezer verandert het gezichtspunt steeds. Zoals eerst naar een foto kijken, dan in de foto zitten en plots het vervolg meemaken nadat de foto is genomen. Nu vertelt de ik-figuur wat er staat te gebeuren, alsof hij het zich weer herinnert: ‘Hij zal zijn hand op haar knie leggen’. Er is sprake van aantrekkingskracht. Is de hij hier zijn vriend of praat hij hier over zijn jongere ik? In de laatste strofe lijkt het erop dat het de ik-figuur zelf is, aangezien de blikken tussen hem en het meisje worden vastgeklonken in een lach. Maar voor hetzelfde geld lachen ze met hun drieën hun ‘blikken vast’. Een herinnering aan een zwoele kermisavond wordt verteld aan de hand van een foto. De ontregeling komt door het gezichtspunt dat steeds verandert.

Uit dezelfde afdeling:

Aarding

Door het donker, erachter zie ik
de keukenrug van mijn moeder,

haar dooraderde, roerende handen
die me instopten toen ik nog.

Ik dek mijn kinderen toe,
red ze van onder wielen

van vrachtwagens, lik hun vellen
schoon. Blote voeten dragen me

door de oude nacht. Ik ben een zoon.

Door het krijgen van kinderen, treed je in de voetsporen van je ouders. Je bent niet langer alleen de zoon, maar tevens en nadrukkelijker zelf een vader nu. Dan is goed om even jezelf te aarden door met je blote voeten buiten te lopen en te beseffen dat je ook nog de zoon bent. Sprekend is ‘de keukenrug’ van moeder en in strofe drie en vier de vertaling van de taak van vaders: veiligheid bieden en verzorgen. De laatste twee zinnen zijn ook op een andere manier op te vatten: moeder droeg hem vroeger in de nacht. Evocatief.

Het is jammer dat een aantal van zijn gedichten – die zeker potentie hebben – uiteindelijk niet verder komen dan een observatie. Zoals onderstaand gedicht uit de afdeling ‘Iets omarmen’:

Het orgeltje van yesterday

In het orgeltje van yesterday wonen we.
De radio zoemt, we zoeken bomen uit
om leeg te plukken en luisteren naar Joni
die Both Sides Now live zingt.

Het licht van Brussel filtert onze lach.
We bakken pensen met triploïde appelen,
roken Richmond uit sweet Virginia die we doodknijpen in een bokaaldeksel van HAK.

Naast een vuil bord van gisteren
liggen morgen muizenstronten.
Straks luisteren we voor de verandering naar Goldberg

terwijl we fluisteren en zittend neuken.
Ons vastzuigen als slakken.
We likken onze beste woorden schoon.

Er staan twee mooie poëtische zinnen in dit gedicht: ‘Het licht van Brussel filtert onze lach.’ en ‘We likken onze beste woorden schoon.’ Maar deze zinnen zijn niet in staat om dit gedicht te dragen. Wat ook niet helpt is dat er als een Slauerhoff gewoond wordt in een bundel van Rutger Kopland, het is zo afgezaagd. En dan die lange en lompe zin met de ‘bokaaldeksel van HAK’ erin, die valt finaal uit de toon. We kennen allemaal het verliefde gevoel dat hier beschreven wordt, de muziek en de setting waarin dit plaatsvindt, maar welk nut dient het gedicht? Wat moet de lezer hiermee? Ik mis de gelaagdheid, alle moeilijke appelen ten spijt.

Helaas mis ik die gelaagdheid in meer gedichten, bij een aantal mis ik de samenhang, daarnaast krijg ik soms spontaan de neiging om te gaan schrappen. Zoals in het fijnzinnige gedicht ‘Kleine lach’, waarin een breekbare jonge vrouw wordt neergezet door de ogen van de ik-figuur.  Als de ik-figuur dan zegt: ‘Ik waste mijn auto’, is dat prima, we hebben beeld, maar om er dan achter te zetten: ‘hij blonk van regenwater, / het stonk een beetje’, is dat storend, daarmee ondermijn je een verder goed gedicht, die mededeling voegt namelijk niets toe. Behalve wellicht dat de dichter goede sier wil maken voor het gebruik van regenwater i.p.v. kraanwater om zijn auto te wassen. Maar in dit gedicht is de ik-figuur ondergeschikt aan de breekbare jonge vrouw. Zonde dit.

Daarom denk ik ook dat Vansteeland eigenlijk te vroeg heeft gedebuteerd en dat is jammer. Zo ver ik heb kunnen achterhalen is hij nu een jaar of vier bezig om met zijn gedichten naar buiten te treden en die worden goed ontvangen, maar een bundel is toch een ander verhaal, dat blijkt. Bij bepaalde gedichten lijkt het alsof hij een paar poëtische zinnen gevonden heeft bij een beeld in zijn hoofd en van die zinnen laat hij dan alles afhangen. Terwijl iedere zin in een gedicht in dienst moet staan van het grotere geheel, het moet lezenswaardig zijn. Je ziet het ook aan de verschillende versies van zijn gedichten die zwerven op het net en die ook in de bundel staan. Hij gooit zijn gedichten met enige regelmaat om, maar de vondst van die paar goede zinnen blijft overeind. Het komt op mij niet overtuigend over, eerder zoekende.

Gelukkig staan er ook pareltjes in Ik zag een Datsun staan, Vansteeland heeft potentie, dat moet gezegd worden. Zoals het gedicht: ‘Als de huizen’, vanwege de eenzaamheid die treffend wordt weergegeven. Vanwege de samenhang. Vanwege de prachtige zin: ‘Weer legt het kind zich tussen jaren’ en vanwege het vasthouden aan je naam als enige bewijs van identiteit. Het is de diepere laag die vragen oproept. Daarom herlees je het keer op keer. Ik zou zeggen: de volgende keer alleen van dit soort gedichten!

Als de huizen

Weer wacht het laatste kind op de schoolstoep,
een natte kroon van papier tussen de vingers.
Het houdt de stempelnamen vast,
de hese honden tegen, straks

in het dinsdagduister. Niemand ziet wat hier
ooit was. Haar koude vingers breken de poortketting.
In gele plassen ziet ze de Peugeotlichten.

Weer legt het kind zich tussen jaren. Niemand komt
haar ooit nog halen. Het houdt de naam vast
op de kroon die in de modder valt, de regen tegen
als de huizen hun ruggen keren.

____

Christophe Vansteeland (2022). Ik zag een Datsun staan. Uitgeverij De Zeef, 46 blz. € 18.00. ISBN 9789493138919

Geplaatst in Recensies.