Interview Erik-Jan Hummel

een verlangen om de wereld te ordenen en te begrijpen


door Alja Spaan

 

 

(Fotograaf Alfred Oosterman)

Erik-Jan Hummel is in 2022 gedebuteerd met de dichtbundel binnen blijven bij De kleine Uil. Hij studeerde af in poëzie aan de Schrijversvakschool Groningen en in zijn dagelijks leven is hij docent filosofie en Nederlands. Zijn kinderen zijn een grote inspiratie voor zijn poëzie. Momenteel werkt hij aan zijn tweede bundel.

 

Recensent Peter Vermaat besprak je debuutbundel op Meander, hij stelt dat een tweede bundel het bewijs zal moeten leveren of je een dichter bent ‘in het diepst van zijn gedichten’.
Voel je al iets?
Dit vind ik een moeilijke vraag, of anders gezegd: ik begrijp de vraag niet helemaal. Een dichter ‘in het diepst van zijn gedichten’ zal misschien iets zeggen over de kwaliteit van mijn gedichten, maar hoe ik dat kan combineren met een gevoel dat er eerst niet was en er nu wel is, ontgaat me. Misschien is het antwoord daarmee: nee.

Moet je om te dichten ‘afdalen in je eigen donkere krochten?’
Aan de Schrijversvakschool Groningen heb ik vier jaar poëzie gevolgd. Docent Jane Leusink wilde dat ik mezelf meer ging onderzoeken, meer in de spiegel zou kijken. Er zat te weinig van mezelf in de gedichten. Zelf merkte ik dat als ik niets van mijn eigen gevoel in de gedichten schreef, de gedichten wat levenloos bleven. Dus in die zin: ja, voor mij werkt het beter om iets van mezelf in gedichten te schrijven. Het gevaar is dan natuurlijk dat de gedichten té persoonlijk worden en lezers die niet in mij geïnteresseerd zijn – nagenoeg iedereen – de gedichten niet zullen willen lezen. Er moet dan een soort brug naar de lezer gebouwd worden. Zelf vind ik gedichten het mooist als ik daarna denk: ik heb precies dát gevoel. Ik had er nooit de woorden voor, maar nu heb ik die wel. Dan heeft de dichter mij bereikt met zijn gevoel.
De stap van gevoel naar ‘eigen donkere krochten’ is misschien niet noodzakelijk, maar vooral vind ik het opmerkelijk dat een recensent hierover begint. Misschien ben ik naïef als ik verwacht dat een recensent over de gedichten schrijft en niet over mijn mogelijke ‘donkere krochten’, want met hetzelfde gemak zijn al mijn krochten vederlicht en vol geurende bloemetjes. Dit gevoel had ik overigens nog meer met iets anders in deze recensie. Liefst drie keer worden de Schrijversvakschool, Piet Gerbrandy en Tonnus Oosterhoff genoemd alsof zij mijn hulpwieltjes zijn geweest bij het schrijven van mijn bundel. Mijn bundel werd zes jaar na mijn afstuderen aan de Schrijversvakschool gepubliceerd, en al mijn gedichten heb ik geheel zelf geschreven. Deze opmerkingen in de recensie vond ik flauw, irrelevant en vooral ook onwaar.
Dit gezegd hebbende: afgelopen jaar heb ik mezelf beter leren kennen en blijken mijn krochten misschien toch donkerder dan ik dacht. Misschien, als ik zover kom, een uitgever interesse heeft enzovoorts, zal ik aan de wensen van Peter Vermaat tegemoet kunnen komen en ‘afdalen in [mijn] eigen donkere krochten’ en in een tweede bundel een ‘dichter in het diepst van mijn gedichten’ zijn, wat dat ook maar precies moge betekenen.

In Tzum wordt Piet Gerbrandy aangehaald die het geheel ‘een indrukwekkende consistentie’ noemt, ‘waarin een herkenbare stem uit alle macht bezig is zijn obsessies te ordenen’. Is het a. belangrijk om ‘herkenbaar’ te zijn en b. ‘heb je dan obsessies?’
Hier is het correcte antwoord dat de dichter en de ik-figuur niet geheel samenvallen. Piet Gerbrandy waardeert een ‘herkenbare stem’ denk ik positief. Ook de flard van Tonnus Oosterhoff is positief: ‘Intens, beheerst, op de juiste momenten losbrekend.’ Zowel Gerbrandy als Oosterhoff hebben me begeleid op de Schrijversvakschool, en gedurende die tijd heb ik zeer veel respect gekregen voor hun kennis en kunde. Hun lof, ook los van die flarden, is me erg veel waard.
a. Voor mij persoonlijk is het niet zo belangrijk om herkenbaar te zijn, maar dit kan onderdeel zijn van de brug die een dichter richting de lezer moet bouwen, en ik kan hopen dat een lezer zich herkent in mijn ‘stem’, dan wel die van de ik-figuur.
b. Het is Piet Gerbrandy die obsessies in de ik-figuur herkent. Het is dan voornamelijk de obsessie om de wereld te ordenen en te begrijpen. Die herken ik ook wel bij mezelf, maar obsessie is een te sterk woord, ik zou het eerder een verlangen noemen.

Je bent ook schaker. Lijkt dichten op schaken?
Er zijn vele soorten schakers, zoals er ook vele soorten manieren van dichten zijn. Ik ben een vrij behoorlijke schaker, een FIDE-meester, maar voor mijn ranking heb ik relatief weinig kennis en speel ik vrij intuïtief, avontuurlijk. Over hoe ik dicht, hoorde ik wel eens dat ik wat afstandelijk ben, een gedicht haast als een wiskundesom benader. Daarin lijkt het wel wat op schaken, want als schaker zoek je in elke stelling naar de beste zet, wat ik als dichter soms doe als er al wat op papier staat en ik nog een laatste (paar) woord(en) zoek. In mijn bundel binnen blijven staat het volgende poëticale gedicht:

ons balkon of onze tuin is niet buiten genoeg
om hem die over buiten spelen rept tevreden

te stellen dat schrijven uit urgentie moet
dichters bestormers zijn doet hij niet direct

ten koste van mij de technicus de knutselaar
knutselt en rekent maar op de klankjes sprankjes

ontspringen de dans pas als je danst ontspruiten pas
in het zonlicht geven het leven pas gewicht als het geleefd wordt ontregelen
pas uit de pas vul me met paniek vul me

De afstand tussen binnen en buiten wordt in de hele bundel gethematiseerd, en dat leest Vermaat er ook in. Hier plaats ik me wat aan de kant van de technische dichters, als die kant bestaat, met enjambementen en klankherhalingen, en juist niet aan de kant van de ‘bestormers’ voor wie poëzie een soort plicht of verslaving is. Dat is natuurlijk te zwart-wit, want ook ik wil mezelf in het gedicht zetten. Anderhalf jaar geleden ben ik gescheiden, en hoe tragisch en verdrietig dat ook is, het zorgde ervoor dat ik tijd had om te dichten, iets had om over te dichten, en gemotiveerd was om te dichten, om zo mijn gebroken egootje wat op te lappen.
Toch is de tegenstelling tussen een emotionele dichter en een technische dichter ook te kunstmatig. In een ideaal geval versterkt de emotie de vorm en de vorm de emotie. Dat herken ik bijvoorbeeld in:

de poolster door de waslijnen heen
zal ik niet kunnen onderwerpen
ik vertrouw waslijnen niet – ze hangen

achter mijn balkon staan in een hofje
brandbare bomen om daar te komen
heb ik een sleutel nodig iemand
moet mij die sleutel willen geven

Zo vertel ik maar wat raak na een vraag over schaken en dichten, en over poëzie praten zou ik graag meer doen, en daartoe ben ik ook te boeken.

In de samenvatting op bol.com staat dat een ‘ik aan het woord is die zich vruchteloos fatsoenlijk probeert te verhouden tot zichzelf, tot een geliefde, zijn kinderen, alle andere mensen en de angsten die daarbij horen. ‘ Wat is vruchteloos fatsoenlijk?
De ik probeert fatsoenlijk te blijven, maar faalt daarin, of anders gezegd: zijn agressie laat zich niet (geheel) tegenhouden.

Is niet elke dichter (elke schrijver) een kluizenaar?
Ik zal niet voor anderen spreken, maar dat is niet mijn ervaring. Dat komt vooral doordat ik niet alleen een dichter ben. Ik ben bijvoorbeeld ook vader en docent.

In je profiel op de site van je uitgever, Kleine Uil, staat allereerst ‘vader’. Is dat een verworvenheid die meer voor je betekent dan de beroepen in het vervolgrijtje?
Ik denk niet dat ik het woord ‘verworvenheid’ zou gebruiken voor mijn vaderschap, maar zonder enige twijfel betekent mijn vaderschap oneindig veel meer voor me dan een beroep ooit zal kunnen doen. In een gedicht waar ik nog aan werk wil ik eindigen met:

laat me tenminste vader zijn fluistersmeekt
hij stil neem al het andere alle anderen af

Dat zegt denk ik genoeg. Verder gaan veel van mijn gedichten over dat ik mijn kinderen mis.

In hoeverre had je studie filosofie invloed op je poëzie?
Die zorgt ervoor dat ik precies wil zijn in mijn formuleringen, dat ik kritisch naar mijn eigen gedichten kijk, twijfel, wik en weeg, en soms staat er iets filosofisch in een gedicht. Ook ben ik zo gericht op de inhoud dat ik gedichten die voornamelijk vormexperiment zijn minder interessant vind.

Vermaat geeft in zijn recensie aan hoe je ‘bij tijd en wijle’ een ‘ontwapenende manier van schrijven’ hebt. Kun je iets vertellen over dat proces?
Ik ken mezelf niet als iemand met wapens, niet in het dagelijkse leven, niet tijdens het schrijven. Mijn ervaring is dat ik tijdens het schrijven volstrekt open en eerlijk ben, en die ervaring heb ik evengoed in mijn dagelijkse leven. Het is in mijn beleving daarom geen proces, maar eerder een soort gekoesterde naïviteit.
Hoe mijn schrijfhouding zich vertaalt naar gedichten die worden ervaren als ‘ontwapenend’ is nog een mysterie. Wat ik van lezers heb terug gehoord, is dat de bundel vooral ‘kwetsbaar’ is, of ook: ‘te erotisch, ik moest de bundel even wegleggen.’ Daarin zit misschien de sleutel: in de gedichten toon ik me niet alleen eerlijk en oprecht, maar ook kwetsbaar.

Hij stelt het tegenover een ‘taal die zich van zijn eigen literariteit bewust is’. Is veel belezenheid een handicap?
Daar zullen de meningen nogal over uiteenlopen. Ik denk zelf dat belezenheid me enorm helpt om gedichten te schrijven. Veel gelezen hebben helpt met het besef wat voor instrumenten je als dichter allemaal hebt. Als mij advies wordt gevraagd hoe iemand een goede dichter kan worden, zou een van mijn tips zijn om veel poëzie te lezen.
Belezenheid is natuurlijk nog geen ‘taal die zich van zijn eigen literariteit bewust is’, al weet ik niet precies wat ‘literariteit’ is. Misschien is dat een te nadrukkelijk gebruik van intertekstualiteit. Vermaat geeft bijvoorbeeld de regel: ‘in het diepst van mijn gedachten god en nergens bang voor’ en hij herkent daarin Kloos en Zwagerman. Nu moet ik bekennen dat ik hooguit een paar losse gedichten van Zwagerman heb gelezen en niets van hem bewust in deze regel heb gelegd. Kloos heb ik wat uitvoeriger gelezen en die is hierin inderdaad te lezen. De woorden pasten precies goed bij het gedicht en het was niet zozeer de bedoeling om een naar Kloos te verwijzen. Uiteraard snap ik dat een lezer dat wel oppikt en dat is ook niet erg, dat er een extra betekenislaag bijkomt.
Het is bij mij eerder zo dat ik maar wat probeer, met andere dichters en gedichten soms in mijn achterhoofd en dat er dan soms iets moois uitkomt. Het is dan ook zonde om het gedicht of de zin te schrappen, alleen maar om te voorkomen dat er een taal ontstaat ‘die zich van zijn eigen literariteit bewust is.’ Dat had ik vooral heel sterk bij een gedicht dat ik schreef als reactie op ‘Mag dat zomaar’ van Peter Verhelst, één van mijn favoriete dichters. Door dit gedicht denk ik: liever ben ik meer belezen dan minder.

ook morgen loop ik van de trap verwijder ik tapijt zeil en plank
stampen mijn voeten tot ze niet dieper kunnen kruip ik verder en voor me
ligt een bekrompen bedompte ruimte zonder licht geen enkel licht

ooit zal hier weer een bos groeien

ze ligt van me af met afwezig hoofd trekt haar voor haar gezicht als ze lacht
het is onveilig hier

het zal ik weet het

ik dacht even het bos al te horen

ik kan me zo moeilijk tedere dingen op een tedere manier herinneren

Is dichten te leren?
Ook hier zullen de meningen over verdeeld zijn. Het is ook maar de vraag wat onder ‘dichten’ wordt verstaan. Op school leren leerlingen wat rijm is, dus dat is te leren, om maar iets simpels te noemen. Mijn ervaring op de Schrijversvakschool is vooral dat ik aan het begin dacht dat ik een goede schrijver was, maar dat zelfinzicht werd hardhandig gesloopt. Daar kreeg ik namelijk instrumenten om zelf kritisch naar mijn gedichten te kijken. Ook dat is dus te leren. Toch is dichten, net als alles waarschijnlijk, iets waar ook iets als aanleg voor bestaat, een bepaalde taalgevoeligheid of zo. Zo zullen er goede dichters zijn die nooit iets over dichten hebben geleerd, en er zullen dichters zijn die eindeloos blijven studeren en lezen en weet ik wat en nooit een goed gedicht zullen schrijven, al is dan weer de vraag wat een gedicht goed maakt, om maar eens een bruggetje naar deze site te maken.

Wat was het eerste gedicht dat je ooit las?
Zelfs mijn moeder wist dit niet. Tijdens het studeren aan de Schrijversvakschool heb ik 107 dichtbundels gelezen (misschien verdient deze belezenheid het predicaat ‘veel’) en van elke bundel heb ik kort een gedicht geanalyseerd. Het eerste gedicht daarvan is er was een avond waarop ik naar de dag uit Altijd een raam van Sylvie Marie. Deze dichter zou ik als voorbeeld willen noemen als het begrip ‘ontwapenend’ wordt genoemd, en daarom voel ik me ook met haar verbonden, al is dat slechts in abstracte zin.

Tot besluit een gedicht voor mijn dochter Minke:

als je schaterend je broer vangt
dan me aarzelend monstert
traanbuizen paraat pas
mijn aanwezigheid tolereert
als je broer lacht om me vecht
dan en altijd zal ik me vouwen
als een huis je warmen als ik mag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Interviews.