LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Rogier de Jong – Meerval

22 jan, 2024

Wees niet sober

door Jan van Gulik




In het najaar van 2023 verscheen de bundel Meerval van Rogier de Jong, alweer de derde bundel van de Groningse dichter. Meerval vangt aan met een motto, twee door Else Hoog vertaalde zinnen uit het korte verhaal ‘The Swimmer’ van de Amerikaanse auteur John Cheever. Het motto is als volgt: ‘Waarom was hij, die toch geloofde dat alle menselijke onbuigzaamheid door het gezonde verstand te beïnvloeden was, niet in staat om te keren? (…) Op welk moment was deze dolle streek, deze grap, dit spel, ernst geworden?’ Deze twee zinnen wijzen mij op verschillende thema’s, die ik in veel van de gedichten in Meerval herken; wees niet onbuigzaam, kom los van conventie en traditie, geeft niet over aan soberheid en neem het leven niet met ernst.

De bundel bestaat uit drie afdelingen: ‘Onder water’, ‘Stroomafwaarts’ en ‘Aanlanden’. Ik merk geen grote verschillen op wat betreft vorm en thematiek tussen de drie afdelingen, buiten het feit dat Rogier de Jong in de laatste afdeling een wat ernstigere toon aanneemt, onder andere in het gedicht ‘Matige mensen’ op pagina 56. In dit gedicht staat De Jong stil bij het type mensen dat vastzit in de traditionele waarden van het christendom. Deze ‘matige’ mensen zijn ‘niet overdadig’, waaruit ik opmaak dat de dichter zinspeelt op de soberheid van het calvinisme. Bespottingen van de calvinistische soberheid lees ik eveneens in het gedicht ‘Kwatrijn nr. 5’ op pagina 58 van de bundel én in het gedicht ‘Het vlakke land’ uit de vorige bundel Seinpost van Rogier de Jong. Wie zich overgeeft aan dergelijke conventies, de soberheid, verliest een essentiële eigenschap: de verwondering. In ‘Cantharellen’ weet De Jong dit verlies te duiden.

Cantharellen

Misschien moet je ophouden met duwen
tegen een muur die helemaal geen muur is
en dus ook niet op omvallen staat. Het vraagt
enige verbeeldingskracht jezelf weg te
roepen bij de mythologie van het instortingsgevaar

Om de cinematografische beelden te hacken,
de projector het raam uit te werpen en in
elke loopgraaf de greppel te zien waarin je
vader naar paddenstoelen zocht, de vale
cantharellentas in zijn hand. Later zou er

ragout zijn: de echte geur van het
Noordlaarderbos verspreidde zich dan door
het huis. Alles is blad, mos, zwam, hanenkam,
of juist niet, dat hele idee van betekenis dat je
achter je aan sleept als een bruidssluier, een

krulstaart, een circusstoet die je op een gegeven
moment onder de voet dreigt te lopen terwijl dat
dus niet zo is en de lucht van sporen en hoeden
je neusgaten vult en je hoofd gelooft dat er
gevaar dreigt en je schouders de leges betalen

[p.35]

In ‘Cantharellentas’ wordt een ‘jij’ aangesproken die, zo lezen wij in de eerste strofe, duwt ‘tegen een muur die helemaal geen muur is’. De Jong spreekt van ‘de mythologie van het instortingsgevaar’, een steeds voortdurend gevoel van onveiligheid. Dit gevoel beïnvloedt zelfs de fysieke gesteldheid van de ‘jij’, zo lezen wij in de laatste strofe. De schouders betalen ‘de leges’, de tol, voor de kronkelingen in het hoofd. Wie gespannen is, voelt dat allereerst in de schouders.

De dichter vergelijkt de angstgedachten van de ‘jij’ in de tweede strofe met ‘cinematografische beelden’, beelden uit de filmkunst. Hieruit maak ik op dat de angstgedachten gekunsteld zijn, ofwel door anderen zijn opgelegd en gemanipuleerd. Mensen jutten elkaar op. De ‘jij’ wordt geadviseerd om de ‘projector het raam uit te werpen’, om de bron van de angstgedachten te verwijderen. Kom los van de conventie, het opruien van elkaar, door toevlucht te zoeken in de verbeeldingskracht. Wie verwondert, kan in elke ‘loopgraaf’ een ‘greppel’ zien ‘waarin je vader naar paddenstoelen zocht’.

Het magische tafereel van de greppel in het Noordlaarderbos is typisch voor de gedichten van Rogier de Jong. De dichter toont zich een meester van de taal, onder andere door zijn vindingrijkheid dat bijvoorbeeld blijkt uit het gebruik van ‘cantharellentas’. Daarnaast gebruikt De Jong binnenrijm en assonanties, bijvoorbeeld in ‘blad, zwam en hanenkam’, waardoor het zoete beeld van het bos nog vertrouwder raakt. Deze binnenrijm en assonanties vind ik in veel van zijn gedichten.

Er is één deelzin in de derde strofe van het gedicht ‘Cantharellen’ die de bundel Meerval naar mijn mening goed weet te vatten: ‘dat hele idee van betekenis’. Uit de gedichten van De Jong blijkt dat het in de menselijke natuur zit om onder de oppervlakte van het waarneembare te kijken, op zoek naar een diepere laag van betekenis. Deze gewoonte wordt in het gedicht ‘Meerval’ op pagina 9 geduid als ‘gevaarlijk’. Onder de oppervlakte heerst namelijk de dreiging van een meerval, een visduivel. Begeef je niet onder de oppervlakte, is daarom de boodschap die spreekt uit de bundel Meerval.

De worsteling met het concept betekenis wordt concreter in het slotgedicht van de bundel op pagina 65: ‘Er is altijd een Ithaca’. In dit gedicht wordt het merendeel van de mensheid vergeleken met Neddy Merrill, de protagonist in het verhaal ‘The Swimmer’. De jolige Merrill onderneemt een zwemtocht, een pelgrimstocht die hij opdraagt aan zijn geliefde. De tocht blijkt een helse onderneming. De dolle streek, lees nog eens het motto, is ernst geworden. We houden vast aan onzichtbare en onwerkelijke doelen, een zwemtocht, een Ithaka, en vergeten vervolgens te genieten van het waarneembare, van de geur van het Noordlaarderbos.

___

Rogier de Jong (2023). Meerval. Uitgeverij Liverse, 72 blz. € 14,95. ISBN9789492519740

     Andere berichten