LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Het commentaar van Marjet Cliteur

2 feb, 2024

Er mag gelachen worden

door Janine Jongsma




Vandaag gaan we in gesprek met Marjet Cliteur over de recensie die gepubliceerd werd afgelopen zomer van haar tweede bundel,Voor je er iets in ziet, van Hettie Marzak. Haar eerste bundel, Bewaakt ogenblik, kwam uit in 2013 en werd goed ontvangen. Marjet Cliteur (1960) deed haar opleiding aan de Rietveld academie en studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Op de achterflap van haar bundel staat een aanbeveling van haar redacteur Jos van Hest:

‘Poëzie van een dichter die zich bewust is van wat zich rondom haar afspeelt en van wat in haar hoofd gebeurt, soms op het neurotische af. Vaak ook nog om te lachen, die gedichten. Dan voel je je als lezer betrapt.’

Dit klinkt interessant. Het eerste dat mij opvalt aan de recensie is dat Hettie Marzak beweert dat de angst overheerst in de bundel: ‘angst voor eenzaamheid, angst om er niet bij te mogen horen, angst voor je eigen onhoudbare gedachten’ en ‘die angst lijkt deels voort te komen uit eerder beleefde teleurstellingen en deels uit onvoldoende vertrouwen in zichzelf.’ Ik leg dit voor aan Marjet, hoe kijkt zij hier tegenaan? Ze geeft aan dat ze het moeilijk vond om de recensie te lezen omdat deze angsten erin vernoemd staan en ook waar die dan uit voort zouden komen. Voor haar was het alsof ze daarop werd vastgepind. Want of het nu gaat om haar oude woede of angst bij het niet kunnen slapen, voor haar is alles bruikbaar. Ze zegt:

Het gaat me niet om die gevoelens, maar om de link van buiten naar binnen of andersom. Zoals je in depressie buiten loopt met je sloffen nog aan en dat ziende zo hard moet lachen dat je even uit de depressie komt. Het liefst had ik dat mijn lezers ook om de gedichten zouden moeten lachen. Mijn bewustzijn werkt ongeveer als dat van kinderen. Toen het bankje op het metrostation al vol kinderen zat en er nog meer kinderen wilden zitten, zei ik: In de krant stond: hoe meer je zit, hoe eerder je dood gaat. Meteen sprongen er een aantal kinderen op.

Ik vind dit grappig, het bewustzijn van Marjet is als volwassene nog steeds in staat om af te dalen naar hoe we als kind dachten. Ik vraag om nog een voorbeeld en dat volgt prompt: Een jongetje wil zijn schoen niet aan. Pas als ik doe alsof de schoen leeft, alsof die zijn voet mist en ik voor de schoen praat: Ik wil mijn voet, moet het jongetje schateren en komt uit zijn weigering. In mijn hoofd gaat nu plots een luikje open, ik paste deze vorm van ‘omdenken’ toe toen mijn kinderen klein waren om mee te gaan in hun belevingswereld. Het is verfrissend dat Marjet het toepast in de poëzie. Ik vraag of er nog meer achter zit dan alleen de lezers te laten lachen. Ze vertelt dat ze ook meer tekening in zichzelf wil ontdekken, niet meer beperkt door het dagelijkse innerlijke gedoe. Ze zegt: Een mens denkt elke dag 97% dezelfde gedachten. Ik onderzoek of er een methode is om eruit te komen. Je moet het niet te graag willen en er ook niet bovenop duiken.

Hettie Marzak heeft het met het thema angst dat als een rode draad door de bundel zou lopen dus bij het verkeerde eind, maar dat is wel hoe de gedichten op haar overkwamen en ze is onder de indruk van de poëzie. Over het gedicht ‘Blindstaren’ zegt ze dat het een mooi advies is en dat vooral in de eerste twee versregels een troostrijke boodschap zit die iedereen zou moeten opschrijven en boven de spiegel zou moeten plakken, om ’s morgens vroeg bij het opstaan al meteen die regels te kunnen lezen en zo de dag in te gaan. Ik plaats het gedicht in zijn geheel hieronder omdat we er daarna dieper op ingaan.

Blindstaren

Leg je toch neer bij wat er is.
Juist dan kan je anders kijken.
Stop met gummen in je tekening
je ogen komen er niet los van.
Ze zien alleen lijnresten:
grijs dat overblijft na intens vegen.

Al doe je stappen achteruit
de grijze vlek domineert
je hele tekening.

Laat er verf op los
tot je er geen gat meer inziet
en zin krijgt om te huilen.
Houd vol.

Ik vraag om een reactie op het compliment van Hettie Marzak. Maar dan komt de aap uit de mouw. Volgens Marjet is de eerste zin ironisch bedoeld. Want als het serieus was zou ze zich niet alleen neer moeten leggen bij de foute lijnen, maar ook bij het gummen en het er niet los van komen. Ze geeft aan dat het gedicht een voorbeeld is hoe je door gummen en verf erover gooien toch krijgt wat je wilt. Ze vervolgt: Pas als je helemaal wanhopig bent, krijg je het voor elkaar. De zinnen zijn een grapje.

Ook op mij komen de eerste twee strofen niet ironisch over, ik ben het met Hettie Marzak eens dat het juist troost biedt. Voor mij zit de ironie in de laatste strofe, daar moet ik om grinniken. Dit is wel een mooi voorbeeld van de magie van poëzie. Iedere lezer kan een gedicht anders ervaren. Omdat Hettie Marzak er haar eigen betekenis aan geeft en haar interpretaties goed onderbouwt, verdwijnt de bedoeling van de dichter naar de achtergrond.

Ik hoor nog wel graag van Marjet of we die eerste zinnen volgens haar nu wel of niet boven de spiegel moeten plakken?

Het is abstract wensdenken. Het is af te raden om het boven de spiegel te hangen. Want het verpest je kijk in de spiegel en stuurt je gedachten terwijl ik pleit voor kijken voor je er iets in ziet. Dus uit je ooghoek in een flits iets zien, wat er ook is, maar wat je door al je gedenk vrij weinig ziet.

     Andere berichten

Het commentaar van Dirk Mout

Een dikke onvoldoende door Janine Jongsma - - Ik ga in gesprek met Dirk Mout over de recensie van Ivan Sacharov van zijn debuutbundel...