LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Interview Joost Hontelez

20 jun, 2024

‘Op de fiets heb ik de allermooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur gecomponeerd. Helaas zijn ze alle verloren gegaan.’

door Annet Zaagsma

 

Op zestienjarige leeftijd kreeg Joost Hontelez op de middelbare school het gedicht ‘Paradise Regained’ van Marsman voorgeschoteld. Met de zon en de zee scheurde zijn liefde voor de poëzie bliksemend open, en is nooit meer overgegaan. Voor de fietsliefhebber die hij is, liggen de verzen verscholen in de uitgestrekte Noord-Franse graanvelden, de hoge Pyreneeëntoppen of de vlucht van een zwaluw. In 2021 bracht hij de bundel Spechtensten uit. Momenteel werkt hij aan een tweede.

In de biografie bij je gedichten in Meander lees ik dat de fiets je muze is. Wat betekent dat? Betreft dat het fietsen of de fiets zelf en waar schrijf je dan over?
Het fietsen neemt een grote plaats in mijn leven in. Ik fiets dagelijks naar mijn werk, maar maak ook grote tochten naar Frankrijk, Spanje of Noorwegen. Gedachten die onderweg in mij opkomen, zet ik op papier. Dat kan over van alles gaan: het fietsen zelf, wat ik tegenkom onderweg: landschappen, oude abdijen, vogels, het weer. Maar ook filosofische mijmeringen en gedachten aan geliefden.

Om daar nog even over door te gaan: je schrijft (als gast) gedichten voor Wielerpoëzie, de website van dichters Bauke Vermaas en Veronique Rap. Op deze website worden gedichten gedeeld over fiets(en) en wielrennen. Is wielerpoëzie een genre?
Ik denk wel dat wielerpoëzie een genre is. Wielrennen is de meest literaire onder de sporten en heeft altijd geïnspireerd. Levi Weemoedt schreef in de jaren zeventig al zijn gedicht Mont Ventoux en ook Jan Kal besteedde er sonnetten aan. In Vlaanderen is er het werk van Patrick Cornillie en Nederland kent de onlangs overleden Huisdichter Cornelis. Maar het mooiste gedicht dat ik ken is Wielertaal van Ruben van Gogh, dat hij schreef voor de start van de Vuelta in Utrecht en dat nog steeds op de trappen van het Stadskantoor te lezen is.

Wat kenmerkt wielerpoëzie, is dat met name het onderwerp of komt er ook een bepaalde stijl aan te pas?
Voor mij is er een verschil tussen dichten over wielersport en dichten over fietsen. Als ik schrijf over wielerhelden of wedstrijden, probeer ik daar wat humor in aan te brengen en richt ik mij minder op de vorm. Het zijn vaak gelegenheidsgedichten, die worden voorgedragen. Het leuke daarbij is dat je een publiek bereikt dat in principe weinig met poëzie op heeft.
De fietsgedichten, die eigenlijk reisgedichten zijn, zijn veeleer ingetogen met een licht filosofische inslag, omdat ik vrijwel altijd alleen onderweg ben, mijn manier om een innerlijke rust te vinden.

In een interview in de Stentor vertelt Bauke Vermaas dat ze al trappend fijne dichtregels binnenkrijgt: ‘Ik heb dan geen zin om te stoppen en die op te schrijven. Dus herhaal ik die zin in mijn hoofd. Dan komt er een tweede regel bij, een derde. Als ik thuiskom is het aangedikt tot een gedicht dat ik opschrijf.’ Hoe werkt dat voor jou?
Op de fiets heb ik de allermooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur gecomponeerd. Helaas zijn ze alle verloren gegaan. Omdat ik wilde doorrijden, omdat ik afgeleid werd door een vogel, een berg of een kerk, omdat mijn geheugen nu eenmaal zijn beperkingen heeft. Als ik reis wil ik onderweg wel eens stoppen om wat in mijn telefoon te noteren. Ik heb altijd een schrift bij me dat ik als dagboek gebruik. Zo zijn de fietsgedichten ontstaan: op een gegeven moment leek het mij leuk om de belevenissen van de dag als gedichten op te schrijven. Vaak zit ik dus ’s avonds voor mijn tentje op een camping ruwe schetsen te noteren, die pas worden gepolijst als ik weer thuis ben. Daar ben ik dan weer weken zoet mee, zo verleng ik mijn vakantie.

Als je vraagt wat er nodig is om een gedicht te kunnen schrijven, vertellen meerdere dichters dat ze met een ontspannen brein in een bepaalde creatieve toestand terecht moeten komen. Herken je dat en is dat voor jou gerelateerd aan wielrennen?
|Ja, dat herken ik zeker. De laatste maanden heb ik door omstandigheden nogal wat spanning gevoeld en is er nog nauwelijks iets uit mijn pen gekomen. Ik verlang er dan ook erg naar om weer op weg te gaan. Fietsen brengt mij in een staat van rust. Ik beschouw het als een vorm van mindfulness. De enige zorg die ik heb, is dat ik ’s avonds ergens aankom. Verder mag ik de wind voelen, zwaluwen zien, door de bergen of langs de kust rijden, zweten en hijgen.

 

Als het altijd zondagochtend was in een
geurende gaudilindebomenlaan (this is
my church) met de schaduwvlekken op
het wegdek met de echoënde merels in

de takken met een lankmoedig koeltje
langs de haartjes op mijn kuiten (this is
where I heal my hurt), zouden die dan
eeuwigdurend neuriën van genoeglijkheid

(geluk?)

of zou zoals regenwater langzaamaan de
kogellagers in mijn achterwiel bestendig
corrodeert, schonkig maakt, onvermoede

weemoed binnensijpelen, naar kou en kale
kilheid naar mistroostigheid, gemis, naar
verlangen naar een tijd die beter is?

Je bent liefhebber van de Franse taal en cultuur, en je bent leraar Frans. Ben je tweetalig, denk je bijvoorbeeld ook in het Frans? Je schrijft ook Franstalige gedichten, is dat anders dan in het Nederlands?
Als ik in Frankrijk fiets, denk ik vaak in het Frans. Het overkomt me zelfs in het Frans te dromen. In het Frans dicht ik zeker anders. Omdat de taal melodieuzer is en omdat er veel meer rijmklanken zijn, kom ik vaker uit op sonnetten met een keurig rijmschema. In die zin is het gemakkelijker. Waar ik me in het Nederlands eerder beperkt voel door die regels, voelt dat in het Frans natuurlijk aan. Ik durf wel te zeggen dat het Frans mij geleerd heeft om ook in het Nederlands vloeiende verzen te schrijven, waarbij het spel met klank en muzikaliteit mij veel plezier verschaft.

Heb je als leraar in je lessen speciale aandacht voor poëzie? Staan je leerlingen daarvoor open? Of zijn je beroep en je dichterschap twee volledig gescheiden werelden?
Minder dan ik zou willen, besteed ik aandacht aan poëzie. Dat wil zeggen, als je chansonteksten niet meerekent. Maar lessen over Rimbaud, Verlaine, Appollinaire, Prévert zijn voor mij de krenten in de pap in de bovenbouwklassen. Er zijn altijd leerlingen die daarvoor open staan, maar het is zeker niet de meerderheid. Literatuuronderwijs is slechts een onderdeel van mijn vak, dus ja, eigenlijk zijn de werelden gescheiden.

De gedichten die je ingestuurd hebt voor Meander omschrijf je als je ‘Noorse’ gedichten. Het zijn ‘sobere gedichten met weinig beeldspraak in een verstilde, intieme sfeer die ons meteen meevoeren naar Scandinavië, met een mooi ritme en hier en daar verrassende woorden.’ Kun je daar iets meer over vertellen?
Vorig jaar ben ik van Utrecht naar Kristiansand in Noorwegen gefietst. Ik was volledig uit mijn comfortzone, omdat ik het liefst in Frankrijk, Spanje, Italië fiets. Ik sprak de taal niet. Van de 16 dagen onderweg had ik er 4 zonder regen. Ik heb zelfs 2 dagen in Göteborg vastgezeten vanwege storm Hans. Zelden heb ik me zo op mijzelf teruggeworpen gevoeld. En elke dag werd het landschap leger, steeds ruiger. Ik denk dat het de stilte die ik in mij voelde is, die in deze gedichten hangt. Zelf vind ik ‘Insjøen’ het mooiste wat ik ooit geschreven heb. Misschien dat ik ook daarom niet veel meer gemaakt heb sindsdien.

Een ander onderwerp waar je graag over schrijft is de natuur. Wat maakt dit onderwerp voor jou zo inspirerend? Lukt het je nog om (enigszins) positieve gedichten te schrijven over dit onderwerp aangezien het op veel vlakken slecht gaat met de natuur?
Wij mensen denken maar dat de wereld van ons is. Maar als je goed om je heen kijkt, zie je dat dat helemaal niet zo is. De tuin achter mijn huis is toch echt van de merel die daar elke avond zit te zingen om zijn territorium af te bakenen. En ook de pad en de pimpelmeesjes zijn een andere mening toegedaan. Op grotere schaal is dat niet anders. Wat meer bescheidenheid is wel op zijn plaats. En dat is uiteraard een eufemisme. Maar ja, kijk om je heen en je ziet de elegantie van een grote zilverreiger, je hoort de tjiftjaf en je ruikt de lindebloesem. Iets wat zo mooi is, daar kun je toch alleen maar positief over zijn? Bovendien: hoe meer mensen de schoonheid ervan inzien, hoe bewuster ze worden van het feit dat we er zuinig mee moeten omgaan.

 

Grote zilverreiger

Jalon in een wintermist zonder horizon.
Oog in oker reigeroog en bijna,
bijna een gesprek.

Dan strekt de nek, de vleugels spreiden.

Even verderop
wordt met een spierwit laken het bed
van smetteloze moddergrond gedekt.

In je jonge jaren wilde je aanstormend dichter zijn, lees ik op de website van je uitgever Boekscout. Vorig jaar debuteerde je op 57-jarige leeftijd met je dichtbundel Spechtensten. Hoe heeft je dichterschap zich sinds die jonge jaren ontwikkeld? Waarom heeft het daarna zolang geduurd voordat je eerste bundel uitkwam?
Toen ik 25 was, stuurde ik mijn gedichten op naar tijdschriften, maar zelden werd er iets geplaatst. Daardoor raakte ik ontmoedigd. Ik heb meer dan 20 jaar geen gedichten geschreven, totdat ik op het idee kwam om mijn reisdagboeken in gedichten op te schrijven en die te plaatsen in de fotoalbums die ik ervan maakte. Enkele jaren geleden bracht een zoon van vrienden van me, Lenny van Hout, een eigen dichtbundeltje uit. De bevlogenheid van die toen zestienjarige jongen maakte wat in mij los: enthousiasme, verloren idealen. Dankzij hem heb ik weer zin gekregen om te dichten, om te publiceren, om op te treden, om mee te doen met wedstrijden. Vier jaar later is Lenny een gewaardeerde spokenword-dichter in Utrecht en Amsterdam met een mooie toekomst en begint ook mijn naam een beetje door te klinken. Samen met Just Romijn treed ik op als Just/Joost. Just maakt geweldige soundscapes, waarover ik mijn gedichten mag voorlezen. We hebben daarbij vooral zelf veel plezier.

Ik kom je naam regelmatig tegen bij poëziewedstrijden. Wat brengt het je om daaraan mee te doen?
De hang naar erkenning. Maar ook: het plezier om inspiratie te vinden door een thema opgelegd te krijgen waar ik normaal gesproken nooit over zou schrijven. Ik zou vanuit mezelf nooit over een vlinder geschreven hebben, maar deelname aan de Vlindergedichtenwedstrijd van de Vlinderstichting Nederland heeft me op het pad van de dagpauwoog gebracht. En inmiddels is dit mijn meest succesvolle gedicht gebleken: omdat het de wedstrijd won, verscheen het in de bloemlezing Je zou een vlinder moeten zijn met de 25 mooiste vlindergedichten uit de Nederlandse literatuur. Ingmar Heytze las het voor in zijn podcast en Willem Beekman neemt het op in zijn nieuwe, nog te verschijnen natuurboek: Tekenen van leven.

 

Een schone zaak

Er hing een donker blaadje aan een balk
in de schuur. Een flardje onopvallendheid,
kleurloos als een waterkoude wintermist.

De zomer koos de coma om zich uit te
schakelen. Wachten is welhaast een halve
levenstaak, een poging niet te sterven van

de vrieskou of verdroging, regulering van
geduld: hoe traag nog ruist er lucht door
je tracheeën, slaat dat kleine buishartje?

Er kwam een lentedag. Het blaadje was
gesplitst, er was een toefje parelmoer, wat
paars pastel en o, oranjebruin. Niets bewoog.

Er was een tweede lentedag, een raam dat
openstond en vastberadenheid. Door de tuin
dwarrelde doodgewoon een dagpauwoog.

Je hebt je eerste bundel uitgebracht, wint regelmatig prijzen, je werk is te leen in de bibliotheek en op diverse plekken te lezen zoals bijvoorbeeld op je blogspot. Heb je een (stiekeme) grote droom over wat je als dichter nog zou willen doen of bereiken of hou je het liever klein en bescheiden?
Ja, dat is een leuke. Nadat ik in het Utrechts Wielercafé mijn ode aan Hennie Kuiper aan de grootmeester zelf heb mogen voorlezen, vind ik dat ik op dat gebied weinig meer te wensen heb.
Ik werk aan een tweede bundel; het zou geweldig zijn om die bij een erkende uitgeverij te krijgen. En in mijn stoutste dromen zie ik Just en mij optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. Maar op dit moment ben ik al heel gelukkig met het feit dat mijn gedicht Thuis een jaar lang levensgroot aan de Grote Kerk van Doesburg hangt.

 

     Andere berichten

Interview Sytse Jansma

‘Ik heb ervaren wat de kracht van poëzie is bij zo’n onderwerp als rouw.’ door Jeanine Hoedemakers - Sytse Jansma (1980) woont in...

Interview Silke Peeters

Interview Silke Peeters

‘Vaak is het juist omdat poëzie niet van nut moet zijn, dat ze zoveel kan betekenen.’ door Alja Spaan     Silke Peeters volgde...

Interview Piet Gerbrandy

‘Poëzie is in de allereerste plaats taalmuziek.’ door Monique Wilmer-Leegwater   Piet Gerbrandy (1958) is dichter en classicus. Hij...