door Yke Schotanus
Meander Klassieker 296
Yke Schotanus bespreekt in deze bange tijden een gedicht uit december 1945. Het gedicht ‘Bommen’ van Paul Rodenko (1920 – 1976). Een gedicht waarin de beklemming van een bombardement intens voelbaar wordt gemaakt.
BOMMEN––
–
De stad is stil.
De straten
hebben zich verbreed.
Kangeroes kijken door de venstergaten.
Een vrouw passeert.
De echo raapt gehaast
haar stappen op.–
–
De stad is stil.
Een kat rolt stijf van het kozijn.
Het licht is als een blok verplaatst.
Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein
en drie vier huizen hijsen traag
hun rode vlag.
–
–
––
Paul Rodenko (1920-1976)
–
uit: Gedichten, 1951
uitgever: U.M. Holland
Analyse
Het gedicht ‘Bommen’ van Paul Rodenko verscheen in december 1945 voor het eerst in het pas opgerichte literaire tijdschrift Columbus en stond in 1951 in Rodenko’s debuut Gedichten. Deze bundel bestaat uit twee afdelingen. De eerste, waar ‘Bommen’ deel van uitmaakt, is getiteld ‘Kamerpoëzie (1944-1947)’, een titel die wellicht gelezen moet worden als een variant op ‘kamermuziek’. Poëzie voor kleine bezetting. Of: poëzie met een bescheiden klank. Het is in ieder geval geen poëzie die zich afspeelt binnenskamers, want wat er gebeurt in dit gedicht speelt zich buiten af. In de stad, op straat, op het plein waar bommen vallen.
‘Bommen’ is een vrij vers met regels van verschillende lengte, maar wel een tamelijk hechte klankstructuur. Er zijn letterlijke herhalingen (‘de stad is stil’, ‘drie, vier’), er is veel assonantie en alliteratie, en aardig wat subtiel eindrijm. Veel regels eindigen bijvoorbeeld op een woord met een a-klank, maar dat rijm wordt her en der afgezwakt door enjambementen. Mooi is ook het rijm in (‘De stad is stil / Een kat rolt stijf van het kozijn’). Het duidelijkste rijm ‘kozijn / plein’ komt voor in de tweede strofe.
Wat verder meteen opvalt zijn de observerende toon van het gedicht en de eenvoudige zinsbouw. Varieer je zinsbouw, is het schoolse advies. Rodenko slaat het in de wind. De eerste strofe bestaat uitsluitend uit extreem korte zinnen (nog geen vijf woorden per zin) in de hoofdzinvolgorde: eerst het onderwerp, dan de persoonsvorm, dan de rest. Uiteindelijk is er slechts één zin die niet begint met het onderwerp en langer is dan zeven woorden. Je zou dit kinderlijk kunnen noemen, maar de inhoud is verre van kinderlijk. De 5vwo-klas waarin ik zat toen ik kennismaakte met deze tekst had er moeite mee. Hoe kunnen straten zich verbreden? Wat doen die ‘kangeroes’ (de spelling was ook in 1945 al eigenzinnig) daar? En hoe kan een echo stappen oprapen? We moesten duidelijk wennen aan dit soort beeldspraak.
Meer mensen hebben er moeite mee: Jan de Jong schrijft op Tzum dat het gedicht behalve de bommen en de lege straat ‘niets dan raadsels’ biedt en ook Guus Middag (in NRC) stuit op forse interpretatieproblemen. Maar die ziet juist te veel interpretatiemogelijkheden om een sluitende interpretatie op te stellen. Toch maakt het gedicht ook op Middag en De Jong grote indruk. En ook mijn vwo5-klas vond een interpretatie. Langzaam kregen de beelden betekenis.
De stad is stil. Er is blijkbaar niemand op straat, want de straten lijken breder dan anders, leger, dreigender ook. Wie zich breed maakt probeert indruk te maken. Guus Middag oppert ook de mogelijkheid dat ze breder zijn geworden door bombardementen, en dat zou kunnen, maar is niet nodig voor een zinvolle interpretatie. De kangoeroes zijn mensen, besloot mijn klas, mensen die met grote ogen naar buiten kijken, alert, klaar om weg te springen. Misschien met een kind op hun arm, redeneerden wij, als ik het me goed herinner. Ik lees nu, dat leerlingen van Nico van Lieshout er militairen met gasmaskers in zien, en dat onder andere Guus Middag overweegt of het geen echte kangoeroes uit de dierentuin zijn, die na een bombardement de omliggende huizen zijn gaan verkennen. Rodenko zou op dat idee gebracht kunnen zijn doordat er in 1940 dieren uit Blijdorp ontsnapt zijn na een bombardement. Wijst het woord ‘venstergaten’ er niet op dat de huizen al glasloos zijn? Of benadrukt ‘gaten’ vooral de kwetsbaarheid van de mensen die zich daarachter laten zien? Hun angst? Het kan allemaal.
Wat mijns inziens bijdraagt aan de schichtigheid van het kangoeroebeeld, is het feit dat de regel waarin dat beeld wordt neergezet de langste regel is van de eerste strofe. De zin wordt ook niet, zoals de kortere zin daarvoor, over twee regels verdeeld, wat suggereert dat hij snel uitgesproken moet worden. Daarbij komt dat het woord ‘kangeroes’ niet in het metrum van de rest van het gedicht past (misschien daarom ook die spelling) en allitereert met ‘kijken’. Dit alles maakt het klankbeeld schichtig voor mij. En de haastige echo uit de volgende regels sluit daar weer bij aan. Die echo benadrukt ook weer de leegte. Want hoewel de echo, objectief gezien, de passen van de passerende vrouw laat naklinken, aanweziger maakt, klinkt het hier alsof hij ze opraapt, snel van de straat grist, waarna het inderdaad weer stil is. Het is zelfs zo stil dat de dichter het nog maar eens herhaalt.
Dat de kat vervolgens ‘stijf van het kozijn rolt’, is intrigerend. Het kan erop duiden dat het anders zo soepele dier met luie, trage bewegingen vertrekt, uit een soort onbehagen of iets dergelijks, maar kan er ook op duiden dat het gedood wordt. Had er dan geen geweerschot moeten klinken? Nee. Niet in dit gedicht. Hier vallen zelfs de bommen in stilte. Maar voor we daar zijn, lezen we eerst nog dat het licht als een blok verplaatst is. Een geweldig beeld, maar lastig te interpreteren. Ik ga ervan uit dat het donker is. Nacht. En het is óf vrij plotseling donker geworden, óf donkerder dan anders. Als licht ‘uit’ is, is het nog aanwezig. Nu is het helemaal weg. En het is in één keer weggehaald. Als een blok. Duidt dat op de verduistering? Of gaat de hele regel over het passeren van een auto of zoeklicht?
Na dit beeld vallen de bommen en hijsen die huizen hun vlag. Dat gebeurt in de langste zin van het hele gedicht. De enige ook, die niet begint met het onderwerp, en de enige ook waarvan het eerste deel echt voluit rijmt op een andere zin. Dat benadrukt het belang van hetgeen er hier gebeurt. En ook het verstorende ervan. In het tijdschrift Columbus wordt ‘Bommen’ gevolgd door het gedicht ‘Nacht’, dat ook bijna helemaal bestaat uit korte zinnetjes die allemaal met het onderwerp beginnen. En ook daarin wordt dat patroon aan het eind doorbroken met een zin waarin een geluidloze verstoring van het tafereel wordt beschreven: ‘Stil staart de smalle reigerblik / van ’t licht.’
Dat de reigerblik stil is, is logisch, dat de bommen geruisloos vallen niet. Het is vervreemdend. Het geeft je, in combinatie met de observerende stijl van het voorgaande, het gevoel dat je door een camera of een raam naar de wereld kijken. Het sluit ook aan bij de existentialistische toon van de meeste gedichten in ‘Kamerpoëzie’, waarvan een deel is ontstaan terwijl Rodenko ondergedoken zat. Een existentialist staat eenzaam en angstig in een absurde wereld, en iemand die ondergedoken zit, ziet de wereld van een afstand. Vrijwel iedereen die over ‘Bommen’ schrijft (zie literatuurlijst onderaan), benoemt de beklemming die uitgaat van het feit dat er niets te horen is, terwijl de bommen vallen.
Na het beeld van de drie, vier vallende bommen lezen we dat evenveel huizen hun rode vlag hijsen. De meeste interpretatoren lezen hierin dat die huizen in brand vliegen, maar sommige van mijn eigen leerlingen (ik volg mijn leraar Nederlands graag na, al kan ik niet aan hem tippen) zien er (een verwijzing naar) communistische of nationaalsocialistische vlaggen in. Een interessante associatie, al wist Guus Middag in 2002 te melden: “Van Dale onder het woord vlag, met vermelding van deze plaats bij Rodenko: de rode vlag hijsen, vlam vatten.”
Naar welke situatie Rodenko verwijst, of hij de gebeurtenissen rond Blijdorp in 1940, het bombardement van zijn eigen huis in het Haagse Bezuidenhout in maart 1945, een bombardement vlak daarvoor, of een geheel ander, wellicht ‘verbeeld’ bombardement op het oog had, maakt mij niet zo veel uit. Dit gedicht is losgezongen van zijn historische context, al gaat het duidelijk over een bombardement.
In hetzelfde nummer van het tijdschrift Columbus waarin ‘Bommen’ werd gepubliceerd, stelt Rodenko dat dichters ervoor moeten zorgen dat de normale waarneming verstoord wordt, zodat de lezer de beschreven werkelijkheid intenser en ‘als nieuw’ ervaart. De dichter gebruikt daarom technische middelen als rijm om details uit de werkelijkheid te omlijsten en te laten zien als door een sleutelgat. Dit poëtisch ideaal verklaart deels wellicht de noterende stijl, de vervreemdende beeldspraak en de afwezigheid van geluid bij iets dat zo veel lawaai moet maken.
In de inleiding bij Nieuwe griffels, schone leien, een bloemlezing uit de gedichten van een groep naoorlogse vernieuwende dichters (de vijftigers) en hun voorgangers, laat Rodenko zijn enthousiasme merken voor het surrealisme, wat meteen ook de gewaagde beeldkeuze in ‘Bommen’ mede kan verklaren. Daarnaast stelt hij dat elk verschijnsel in principe gebruikt moet kunnen worden als metafoor voor om het even welk ander verschijnsel. Dit principe moet leiden tot een associatieve poëzie met een “niet eerder geëxploreerde poëtische dieptedimensie”. En in het verlengde daarvan vindt hij het belangrijk dat beelden in een gedicht verzelfstandigd worden, zo veel mogelijk losgemaakt van het logische verhaal waar ze in passen. De lezer kan dus misschien het bombardement niet in de geschiedenis plaatsen, maar ervaart wel de beklemming ervan.
Yke Schotanus
dank aan Joost Dancet voor tips en advies
Bronnen
- Odile Heynders, 5 De Gedichten, in: Langzaam leren lezen. Paul Rodenko en de poëzie. Syntax Publishers, 1998.
https://www.dbnl.org/tekst/heyn005lang01_01/heyn005lang01_01_0006.php - Hermen Hoek en Marc van Osch, Bommen,
https://wbs.nl/publicaties/vrijmipo-bommen - Paul de Jong, Recensie Paul Rodenko – Orensnijder, tulpensnijder, Tzum.nl, 3 maart 2019.
https://www.tzum.info/2019/03/recensie-paul-rodenko-orensnijder-tulpensnijder/ - Nico van Lieshout, Wonder, 21 juni 2019.
http://nicovanlieshout.net/in-de-marge/wonder/ - Guus Middag, Kangoeroes kijken, NRC, 14 juni 2002.
https://www.nrc.nl/nieuws/2002/06/14/kangoeroes-kijken-7594141-a978111 - Paul Rodenko, Muggen, olifanten en dichters, in: Columbus 1(3), december 1945, 58-63
https://www.dbnl.org/tekst/_col002194501_01/_col002194501_01_0026.php - Paul Rodenko, Nieuwe griffels / schone leien: Van Gorter tot Lucebert en van Gezelle tot Claus, Inleiding, in: Maatstaf 2, 453-468
https://www.dbnl.org/tekst/_maa003195401_01/_maa003195401_01_0088.php - Paul Rodenko, Orensnijder tulpensnijder: verzamelde gedichten, De Harmonie, 1975
Meander Klassiekers
In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.
Reageren op deze bespreking?
Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)
Zelf een bijdrage leveren?
Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres) –
Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers
