door Romain John van de Maele
Zoals een realistisch schilderij, is een gedicht dat werkelijkheid beschrijft een verinnerlijkt en bewerkt beeld dat door een kunstenaar of dichter tussen de werkelijkheid en de lezer of kijker wordt geschoven. Een nieuw-realistisch – en zelfs een hyperrealistisch – gedicht wekt soms in zijn eenvoud verwondering op, want het woord geworden beeld is wel enigszins herkenbaar, maar de lezer heeft de werkelijkheid, voor zover hij het zich kan herinneren, nooit op die manier ervaren. Nu en dan zijn de poëticale opvattingen van een dichter bewust gericht op het creëren van vervreemding of ‘ostranenie’ zoals de Russische formalist Viktor Sjklovski dat proces noemde. Door alledaagse dingen ongewoon of vreemd te presenteren, proberen dichters onze automatische, onbewuste waarneming te doorbreken en een nieuw bewustzijn van de werkelijkheid te creëren.
Maar in veel meer realistische gedichten wordt dat effect niet bewust nagestreefd. Ik denk aan Jonge sla (Alles op de fiets, 1970) van Rutger Kopland, en ben ervan overtuigd dat de dichter geen vervreemding heeft nagestreefd, en toch was hij zelf verwonderd over zijn kijk op wat zich in tuinen afspeelt. In tuinen en op akkers cultiveert de mens zijn omgeving, hij maakt haar dienstbaar aan zijn eigen ‘zijn’. Er is een tijd van zaaien en planten, en – wanneer alles goed gaat – ook een tijd van oogsten. Het is met jonge sla in september, ‘slap nog’, als met pasgeboren lammeren, die hoe vertederend ze ook mogen zijn, toch in de weide verschijnen om later geslacht te worden. Zelfs zonder een ongewone presentatie, slaagt Kopland erin verwondering op te wekken. Het is echter geen verwondering die vreemd aandoet. Dat is wel het geval in Zeeuwse reportage (Gard Sivik, nr. 25, 1962) van Hans Verhagen: ‘Het zand heeft veel mensenkennis opgedaan, / en 30.000 jaar herinneringen vastgelegd: /geen lamp die deze wiskunde wil lezen.’ Wie ten tijde van de Deltawerken regelmatig door het Zeeuwse landschap trok, wist wat Verhagen waarnam en aanvoelde. Wie nu van Veere naar de kop van Schouwen-Duiveland rijdt, ziet amper littekens in het landschap, dat met zijn velden en grote waterpartijen terecht deel uitmaakt van het Nationaal Park Oosterschelde.
Veel meer dan Kopland maakte Verhagen gebruik van ongewone beelden. Maar ook zonder ongewone verwoordingen is bijvoorbeeld het werk Daniël van Ryssel geen eenvoudige reductie van wat het oog heeft waargenomen, het is een puzzel die opnieuw gelegd moet worden. De lezer moet met de afzonderlijke stukjes en de ontbrekende elementen zowel de beleving als de bedoeling van de dichter samenstellen. Dat is een subjectieve exploratie die de achterliggende werkelijkheid en de houding van de dichter probeert te achterhalen. De inlevende of afwijzende lezing roept een nieuwe werkelijkheid op aan de andere zijde van het gedicht, dat als een halfdoorlaatbaar membraan tussen de werkelijkheid en de lezer het osmotisch proces bepaalt. Een realistisch gedicht is vaak een antwoord op de vraag ‘wat is het’, of wanneer het om de werkelijkheid gaat: ‘wat is werkelijkheid’. Het antwoord op die vraag hangt af van wat door het membraan van het gedicht de lezer bereikt.
In gedichten die niet de visuele of hoorbare wereld verwoorden, remt het halfdoorlaatbaar membraan veel meer de doorstroming van beeld en beweging af. Wat de lezer ervaart, hangt af van zijn vroegere ervaring met het werk van een bepaalde dichter: zijn er woorden en rijmschema’s die ook in andere gedichten opvielen en een nieuw gedicht aan de zijde van de lezer toegankelijker maken, of maakt de dichter gebruik van metaforen die bij een eerste lezing aan de zijde van de schrijver blijven haperen. Niet alle gedichten zijn geschreven om het de lezer gemakkelijk te maken. Bovendien heeft de lezer(es), opgevat als cel aan de ene kant van het membraan, een ‘celwand’ die zelf slechts halfdoorlaatbaar is. Sommige woorden en versregels zullen gemakkelijk tot in de kern van die cel – het bewustzijn van de lezer – doordringen, terwijl de celwand een moeilijk te slopen barrière vormt voor andere woorden en beelden. Maar een geduldige lezer kan na een eerste kennismaking over het membraan heenstappen en de woorden vervangen door een omschrijving, of de versregels opnieuw ordenen. Dat inlevende leesproces plaatst de eerste, beperkte osmose tussen haakjes en vervangt het membraan – het gedicht in zijn delen en als eenheid – door een nieuw filterelement dat meer op de ontvanger dan op de verzender is afgestemd. Dat vergroot de kans op een zinvolle doorstroming.
De bundel Stilte in mij (2018) van Marleen de Crée wordt terecht ingeleid met een citaat uit White Spaces (1979) van de Amerikaanse dichter en vertaler Paul Auster. In de bundel van Marleen de Crée gaat het niet om de waarneembare, uiterlijke stilte, wel om een innerlijk aanvoelen. Auster vond geen woorden om de innerlijke stilte voor zijn lezers hoorbaar te maken, en hij wees erop dat veel van wat elke dag langs zijn ogen schoof onbegrijpelijk was. De dichter beriep zich op de innerlijke en uiterlijke ervaring en gaf zelf toe dat het adequaat verwoorden van de indrukken moeilijk was. Wanneer die woorden en beelden uiteindelijk aan elkaar waren geregen, werden ze (op hoop van zegen) als gedicht en halfdoorlaatbaar membraan tussen de tastende dichter en de lezer geschoven. Het gedicht verbindt en scheidt de schrijver en de lezer van elkaar, en wat aan de ene zijde van het membraan – gedicht – door de dichter wordt verwoord, bereikt in het beste geval de lezer aan de andere zijde als een volle schaduw. Maar een schaduw is niet vormvast, en de lezer zal op verschillende tijdstippen verschillende schaduwen waarnemen. Gedichten stellen zowel de dichter als de lezer alleen in staat om met een nooit definitieve ‘inhoud’ kennis te maken.
afbeeldingen
Jonge sla, foto © Klispoel
Zeeuws landschap, foto © Roofvogels Zeeland
Celwand, foto © Wikipedia
Schaduw, foto © Wikipedia
–





