‘Autobiografisch is het nooit.’
door Peter Vermaat
–
Koenrad Moerman (1961) studeerde wijsbegeerte en communicatiewetenschap, werkt voor een adviesraad duurzame ontwikkeling en schrijft ’s avonds gedichten. Enkele ervan werden bekroond, onder meer met de Poëzieprijs stad Harelbeke (2019) en de poëzieprijs Boontje (2022). Hij publiceerde in Het Liegend Konijn en andere tijdschriften.
Koenrad won de tweede prijs in onze Rob de Vos-wedstrijd.
Hoe is je gedicht Wolf ontstaan? Heb je er lang aan gebouwd of was het er min of meer ineens? Geldt die ontstaanswijze ook voor de meeste gedichten van jou?
Wolf is, zoals de meeste van mijn gedichten, niet zomaar uit mijn pen gevloeid. Schrijven is voor mij een arbeidsintensief proces, ik heb tijd nodig om iets op papier te krijgen. Meestal werk ik aan een vijftal gedichten tegelijk gedurende een aantal maanden — waarbij ik zoals een schilder of beeldhouwer elke avond naar mijn kelderatelier afdaal om hier iets toe te voegen, daar iets weg te krabben, een andere kleur uit te proberen … Tot het moment komt waarop ik denk, dit is goed genoeg, hier kan ik nu niets meer aan verbeteren. Dan kan het resultaat naar boven, naar de expositieruimte. Maar er zijn ook veel projecten die nooit uit de kelder raken.
Het zou comfortabeler zijn, een gedicht dat er min of meer ineens was, zonder al te veel schrappen en herschrijven. Maar misschien is het toch wel nodig een gedicht te laten ‘kelderen’, het een tijd te laten liggen, zoals Roel Richelieu Van Londersele adviseert in het zonet door Meander gerecenseerde De geheimen van de literatuur: ‘Je moet het kunnen lezen alsof het niet meer echt van jezelf is. Dan pas zie je de fouten staan’.
Wolf is een gedicht dat lang in het kelderatelier heeft gelegen. De openingszinnen en de terzines waren er relatief snel, maar ik heb lang geworsteld om het jachtige en chaotische van de trip (in alle betekenissen van het woord) in het tweede kwatrijn weer te kunnen geven.
–

artprint © Mirian Jacobs
–
Wat gebeurt er in jou vlak vóór een gedicht ontstaat, is het een gedachte, een gevoel, een ritme, of iets anders?
Ik ben nogal rationalistisch ingesteld, mijn werk komt vaak in eerste instantie voort uit een reflectie over een onderwerp dat mij boeit. Bij Wolf is dat het thema van de gespleten persoonlijkheid, Dr Jekyll and Mr Hyde, de dissociatieve stoornis in de psychologie. Dat probeer ik dan in een specifieke vorm te gieten, door een invalshoek te kiezen, beelden en woorden te vinden om zo precies mogelijk weer te geven wat ik daarover wil vertellen. Bijvoorbeeld het beeld van de volle maan die voor een gedaanteverandering zorgt, uit de mythe van de weerwolf. Vaak haal ik ook inspiratie uit de literatuur, Der Steppenwolf van Hesse, met de dualiteit van conventionele bourgeois en ongeremde wolfsman, is een boek dat dit gedicht ongetwijfeld mee gekleurd heeft. Net zoals er iets van I’m waiting for The Man en White Light/White Heat van The Velvet Underground in het tweede kwatrijn doorklinkt.
Wat is voor jou de moeilijkste fase in het schrijfproces: beginnen, schrappen of loslaten?
Loslaten kost me geen moeite als het gedicht zich in het finale stadium bevindt waarin ik er niets meer aan wil veranderen. Dan is het rond en kan ik er afstand van nemen. Om daar te raken, moet je inderdaad schrappen en herwerken, toevoegen en weghalen, waarbij de tekst groeit in verschillende versies. Een lastige fase, maar het moeilijkste is toch het begin: de invalshoek, de toon, de juiste sfeer vinden. Vooral omdat je daar weinig controle over hebt: het baat niet om er moeite voor te doen, er is ergens een inval nodig om alles op gang te krijgen en om het gedicht in zijn plooi te laten vallen. Je kan het niet forceren, en het is best frustrerend als die aha-erlebnis er niet komt, de epifanie uitblijft en het gedicht niet verder raakt dan het projectstadium.
Hoeveel van jezelf laat je toe in je poëzie en wat laat je bewust buiten de deur?
In een aantal gedichten zal er wellicht iets van mezelf zitten, maar autobiografisch is het nooit. Die gespletenheid van het personage in Wolf bijvoorbeeld ervaar ik persoonlijk ook wel, maar niet in die mate dat deze brave burger bij volle maan door nachtelijke straten dwaalt op zoek naar zijn dealer voor een portie psychedelica. Een gedicht is voor mij een fictieve constructie, met naast ervaringen ook projecties, uitvergrotingen, wensbeelden, bezweringen en zo meer. Teveel aandacht voor de persoonlijke sfeer en problematiek weegt vaak zwaar op de vorm; pure bekentenispoëzie vind ik zelden boeiend. ‘Laat uw binnenste erbuiten’, dichtte de weergaloze drs. P, een gouden raad waarover ik ooit een aan hem opgedragen rondeel heb geschreven:
i.m. drs. P
–
dichter, laat uw binnenste erbuiten
bespaar ons uw relationeel bestaan
spel uw depressie, achtervolgingswaan
niet in kapitalen op de ruiten
–
van rondelen. Het innerlijke uiten?
daar dient de sofa voor van een Freudiaan
dichter, laat uw binnenste erbuiten:
uw Rorschachvlek is inkt, geen zweet of traan,
–
geen afscheiding van uw geslachtsorgaan
waarom uw privaat publiek ontsluiten
wie heeft een boodschap aan niet te stuiten
deeldrang van trauma of gevoelsorkaan?
dichter, laat uw binnenste erbuiten!
Wat betekent ‘ontwikkeling’ voor jou als dichter? Hoe werk je daaraan? Is feedback daarbij van belang?
Bij het dichten ben ik niet bewust bezig met de ontwikkeling daarin of de poëtica erachter. Je probeert iets gaaf op papier te krijgen, vormelijk en inhoudelijk. Maar sommige gedichten van twintig jaar geleden zou ik vandaag niet meer op die manier formuleren, dus is er wel een ontwikkeling in mijn schrijven van en denken over poëzie. Dat heeft te maken met wat ik sindsdien geschreven heb, maar ook met de lectuur van anderen, zowel gedichten als recensies en beschouwingen over poëzie. Die context is enorm belangrijk, je schrijven verhoudt zich (al dan niet bewust en bedoeld) tot wat anderen maken of gemaakt hebben. Het gedicht bekijken als een ‘allerindividueelste expressie’, dat berust op een combinatie van fantasie en romantiek.
In die zin is feedback ook enorm waardevol, gedichten kunnen er beter op worden wanneer iemand anders er een kritische blik op werpt. Als auteur die de tekst al zoveel maal herkauwd heeft, zie je sommige dingen immers soms niet meer. Een aandachtige lezer kan je wijzen op rake en minder geslaagde passages, een andere formulering suggereren … Uiteindelijk beslis je zelf of je met die opmerkingen iets doet, maar een goed klankbord is veel waard.
Naast die eerder technische feedback is in het algemeen een zekere respons op je werk ook wel belangrijk. Massaal is die zelden in ons nichedomein, en dat hoeft ook niet: het gaat om iets of wat van waardering in de vorm van een publicatie in een tijdschrift, een prijs of nominatie voor een wedstrijd, een bespreking van een gedicht. In een tijd waarin aandacht heel vluchtig en beperkt is, zeker voor zoiets als poëzie, zijn dat stimuli om verder te gaan.
Hoe heeft het thema van de wedstrijd jou geïnspireerd of richting gegeven tijdens het schrijven?
Wolf gaat voor mij zoals gezegd vooral over gespletenheid, maar ook over de schone schijn en wat er achter het masker schuilt, de spanning tussen de redelijke orde en de chaos van het driftmatige. Het thema van de wedstrijd, dwalen, zit denk ik in dit laatste aspect vervat: het afwijken van de rechte lijn, de rusteloosheid, de vruchteloze en frustrerende zoektocht naar bevrediging. Het gaat dan om een dwangmatig gebeuren dat aan het controlerende ‘Uber-ich’ ontsnapt, en niet om een vorm van creatief dwalen in de zin van nieuwe ervaringen opdoen. Eerder dolen dan ontdekken dus, verbonden met emoties van schuld en schaamte, en niet zonder risico – de wolf is een roofdier op jacht, er kunnen slachtoffers vallen. Er is immers die ‘diep in het bloed verborgen woede die er op willekeurige momenten uitbarst’, een rake formulering in het jurycommentaar.



