‘Rouw in woord en beeld’
door Tom Veys
–

–
Kom terug, reiziger is een uitgave van uitgeverij Schaep14 in Bloemendaal. Arnout ter Haar (Amsterdam, 1959) is schrijver en schilder. Eerder publiceerde hij de romans Brak (2000) en Lichtjaar (2003) en enkele korte verhalen, respectievelijk uitgegeven bij Contact en Mouria. Kom terug, reiziger is zijn debuut als dichter.
In de rouwgedichten van Ter Haar staat een persoonlijk verhaal centraal. Voor de dichter begon het immers bij de ziekte en het overlijden van zijn echtgenoot. Rouwverwerking in gedichten is in de literatuurgeschiedenis niet nieuw. ‘Het is een proces van zoeken en vinden, laten gaan en gebruiken, proeven en verwerken. Ieder op zijn eigen wijze.’ Beeld en woord vullen elkaar hierbij aan.
‘De illustraties zijn vervaardigd met acrylverf op doek, hout of papier in een sober palet: Payne’s Grijs, Titaan Wit, Gebrande Omber en Titaan Buff Licht.’ Graag neem ik de illustraties als uitgangspunt, omdat beeld en woord goed samengaan in deze bundel. De dichter hanteert een toegankelijke, eenvoudige taal, de vaak abstracte schilderijen spreken de kijker aan en roepen een aparte en sterke sfeer op.
In de inleiding en op de achterflap geeft de dichter expliciet de bedoeling mee van deze bundel, misschien kan je dit al impliciet vermoeden als je de gedichten leest. De ‘uitnodiging tot troost en herkenning, tot samen delen’ is een duidelijk doel dat de dichter nastreeft. Op zich haalt de bundel deze doelstelling, maar ik vraag me af of het persoonlijke aspect expliciet benoemd moet worden. Het openlaten van de betekenis, los van het persoonlijke verhaal, kan immers voor meerdere invalshoeken zorgen in de poëzie.
Het dagdagelijkse krijgt in de bundel een meerlagige ondertoon door, onder andere, de afbeeldingen die voldoende ruimte openlaten. Met andere woorden, in de schilderijen zit mysterie. Het is ook goed wanneer in bepaalde gedichten dieper wordt gegraven naar een symboliek die verder gaat dan de werkelijkheid. Dit is het geval in ‘Angstvissen’.
–
Diep in de nacht
komen kleurloze vissen
in groten getale
mijn wereld binnen
met holle blikken
en dikke lippen
zwemmen zij zwijgend
in zinloze kringen.
–
Zij ogen onschuldig
maar ik ken hun intenties
dreigende bodes
van vrees en paniek
die het water doen stijgen
en mij overspoelen
naar adem doen happen
tot ik zink.
De dichter hanteert meestal toegankelijke beelden in korte versregels. Deze heldere toegangsweg in taal wordt gevarieerd op het vlak van thema’s.
Op verschillende locaties wordt aan de overledene gedacht, zoals aan zee in ‘Gestrand’: ‘Sinds je vertrek / alleen nog doodtij.’ Of in ‘Helmgras en zegge’ wordt een natuurbeeld mysterieus en geslaagd uitgewerkt.
–
Ik weef een deken
van helmgras en zegge
en dek mijzelf toe
in een kom in het land.
–
Hoog in de lucht
jaagt de wind op de wolken
een biddende buizerd
op zoek naar prooi.
–
Als de wind is gaan liggen
de prooi is gezien
de schemering ingezet
sluit ik mijn ogen
–
en oefen.
In ‘Truc’ stelt de rouwende vragen, zoals ‘Wat gebeurt er / tussen je laatste ademtocht / en het moment van absolute stilte / daarna?’ en ‘Waar ben jij gebleven? / Hoe kan je in dat ene moment / als in een goocheltruc / zijn verdwenen? // Mijn hoge hoed blijft leeg.’
Het aanboren van de rouw wordt daarenboven dieper door de kleuren van de schilderijen. De korrel, de textuur, het palet, ze geven volgens mij een gelaagdheid weer die interessant is.
Arnout ter Haar zou zich als dichter wellicht thuis voelen onder nieuw-romantici of nieuw-realisten. Het volgende gedicht is eenvoudig qua opbouw en benoemt concrete zaken.
–
Je sleutels en je sokken
je scheerkwast en de
shampoofles, je
overhemden
in de wasmand
en je pen
die nooit meer
mijn naam
zal schrijven.
–
Stille getuigen
van je vanzelfsprekende
aanwezigheid
transformeerden
tot harde spiegels
van je niet te bevatten
afwezigheid.
–
Monumenten.
Vier keer wordt een haiku opgenomen in de bundel. Dit is fijn. Deze korte versvorm geeft een sterke boodschap mee. Bijvoorbeeld ‘Haiku (4)’: ‘Een maanloze nacht. / Het water is zwart. Ik zwem / en voel me verlicht.’
In de bundel wordt de dood in veel beelden herhaald, evenals het gemis, zoals in ‘Zonder bagage’: ‘Zonder bagage / en zonder ticket / ging je op reis / nergens naartoe.’ Rouw wordt met muziek vergeleken in ‘Dissonant’.
–
Na dagen van regen
en doorwaakte nachten
van gekmakend getik
op dakraam en zink
leek met de zon ook
de rust terug te komen
–
In plaats van stilte
en harmonie
hoor ik het zoemen
van de ijskast
geschetter van eksters
getik van de klok
het kloppen
van mijn hart
en het ontbreken
van jouw ademhaling
tezamen
een schril
akkoord aanslaan.
In de bundel Kom terug, reiziger vinden we referenties aan de klassieke mythologie terug, met name in ‘Orpheus te fiets’, ‘Styx’ en ‘Zoals Penelope’. In deze klassieke verhalen wordt met de wereld van de doden geworsteld, net zoals in de situatie van de dichter. De referenties vinden we in ‘Orpheus te fiets’ : ‘’s Nachts fiets je / voor me uit, / en hoezeer / ik het ook probeer / de afstand tussen / jou en mij / vermindert niet.’ Of in ‘Styx’: ‘Zou dit de Styx zijn / zwom ik / zonder aarzeling / blijmoedig / naar de overkant.’ Of in ‘Zoals Penelope’: ‘’s Nachts onweef ik / en dood de tijd. / Kom terug, reiziger / ik wacht al zolang.’
De dichter hanteert dus in de bundel korte versregels die uitgebalanceerd en helder een idee weergeven. Als je alle gedichten na elkaar zou zetten, krijg je een gevarieerd palet aan invalshoeken, misschien ook een lang prozagedicht dat telkens rond rouw en verlies cirkelt. De beelden gaan hand in hand met woorden, dit is wellicht de sterkte van Kom terug, reiziger, een rouwproces krijgt beeld en woord.
____
Arnout ter Haar (2026). Kom terug, reiziger. Uitgeverij Schaep14, blz. 67. €19,99. ISBN 9789083594712





