Als het anker op het eiland achterblijft
door Ali Şerik
–

–
De bundel Aan de rand van mijn eiland opent met de woorden van Derek Walcott: ‘There is a territory wider than this – wider than the limits made by the map of an island – which is the illimitable sea and what it remembers.’ Is dit een voorbode van wat komen zal?
Een paar pagina’s verder begint de bundel met het gedicht ‘Eerste zeereis’. Het is een herinnering aan een groot avontuur: een reis van het ene eiland naar het andere. Geschreven als een levendige terugblik, waarin de dichter pas vijf jaar oud is, met een grote en sterke grootvader, een oneindige oceaan en fregatvogels die de dageraad aanroepen. Onschuld en verwachting gaan hand in hand door het gedicht, terwijl een eiland de bezoekers verwelkomt alsof het zijn eigen kinderen zijn. Pas jaren later zal het kind beseffen dat rovers, moordenaars en piraten ooit die gastvrijheid hebben verkracht en het eiland met geweld hebben ingenomen. Welke geschiedenis draagt niet de littekens van zijn voorouders, als men durft te kijken.
–
Ver van de kust, als ik mijn eiland
met de zon achter de kim zie zinken,
kijk ik verwonderd rond,
ogen die amper over de reling komen.
–
Het schip schudt, knarst, kraakt;
ik klem mijn vijfjarige armpjes
om grootvaders gespierde been
en hij tilt me tegen zijn borst.
–
Wankele lichamen, misselijke magen,
klotsende golven zetten samen koers
naar de nacht, het peilloze zwart,
de leegte van het watervlak.
–
Ik tol van de slaap, dein mee met de zee,
zie geen grens meer tussen lucht en water,
behalve wanneer vallende sterren
de duisternis aan flarden schieten.
–
Vele dromen later schuift het donker
loom opzij voor het schuchtere licht,
de stilte voor het ochtendgeruis;
er is weer kust en kleur in zicht.
–
Fregatvogels roepen de dageraad aan,
scheren langs opa’s uitbundige gezang:
een symfonie van opgewekte klanken
galmt over de baai als we binnenvaren.
–
Het nieuwe eiland verwelkomt ons
met kleurige, gespreide armen,
de majestueuze mond, het kloppend hart.
Ademloos geniet ik vanaf opa’s schouders.
–
Pas later weet mijn volwassen brein
dat rovers, moordenaars, piraten
ooit diezelfde gastvrijheid verkrachtten
en het eiland met geweld innamen.
–
Kinderlijke verlangens
omrand met snippers besef
van een ver verleden
leven in mij, in het heden.
–
[p.12]
Op de achterflap lees ik dat Ini Statia op Aruba werd geboren uit Bonairiaanse ouders. Zij voelde zich op alle drie de ABC-eilanden (Aruba, Bonaire en Curaçao) thuis. In 2022 verscheen haar eerste bundel, In naam der liefde, en Aan de rand van mijn eiland is haar tweede bundel. Ook deze bundel verscheen in drie talen: Nederlands, Papiaments en Engels. De bundel bevat 21 gedichten.
Omdat zij een meertalige dichter is en er ook andere vertalers aan deze bundel hebben meegewerkt, weet ik niet welke gedichten door haarzelf zijn vertaald en welke door anderen. Elke taal heeft haar eigen kleuren, haar eigen beelden, haar eigen vogels, haar eigen havens en haar eigen glimlach. Niet alles laat zich vertalen wanneer een gedicht in de moedertaal is geschreven en zich vastklampt aan cultuur, traditie en toekomst. De geur van een taal behoudt altijd haar eigen karakter. Misschien zijn haar gedichten in alle drie de talen even krachtig. Om dat te beoordelen, schiet mijn kennis van het Engels tekort en blijft het Papiaments voor mij een gesloten wereld.
Ini Statia is niet alleen een ambassadeur van haar poëzie, maar ook van de ABC-eilanden, en van haar moedertaal, het Papiaments. Zij schrijft vanuit een mooie, zorgeloze jeugd, vanuit een gelukkig verleden. ‘De zon kust de dag wakker, / schildert de hemel oranjeblauw, / kietelt de zachte ochtendbries.’ [p. 19]. Haar taal is zacht en helder, maar zij kijkt niet weg voor de werkelijkheid: ‘(…) het desolate panorama van cactussen (…)’ [p. 19]. De troosteloze aanblik, de verbondenheid met het verleden en het verlangen naar de toekomst vloeien in elkaar over.
De dichter voelt zich onlosmakelijk verbonden met het eigen karakter van de eilanden, zij maken deel uit van haar wezen. Tegelijkertijd beseft zij dat de eilanden, hoewel door de oceaan omringd, verbonden blijven met de aarde. Haar eiland is als een watapanaboom of een tamarindeboom, waarvan de wortels diep in de aarde reiken en verbonden zijn met de wereld en het universum. Daarom valt het afscheid van de eilanden haar steeds zo zwaar.
–
Wanneer je zandkorrels
van een eiland naar de maan brengt,
is dat zand van dat eiland zelf
of van het hele universum?
–
Wie weet waar dat zand eerder was?
In welk tijdperk negeerde het grenzen
en woei het daarheen op de wind?
Waar kwamen de schelpen vandaan,
die later zand werden?
–
Willen pelikanen op zoek naar voedsel
langs de kust het land veroveren?
Zullen de schildpad die eieren op het strand legt,
de krab die zijn schild achterlaat,
dolfijnen die in zee duiken
menen dat het eiland van hen is?
–
[p. 27]
Dit is een dichter die zich niet wil laten bepalen door de pijn van het verleden. Zij wil niet blijven ronddwalen in de zware werkelijkheid van vroeger, maar haar blik helder op de toekomst gericht houden. ‘(…) maar ik wil mezelf beschermen / mijn ziel niet te diep doorgronden (…)’ [p. 47].
Aan het einde van de bundel heeft zij afscheid genomen van haar eiland. Heimwee is een wilde plant die door haar hele lichaam woekert. In Nederland blijft zij een schip dat zijn haven zoekt. In haar ziel zingt de oranjeblauwe hemel van haar eiland voort. Zij is als het desolate vergezicht van een cactus: hier vliegen haar vogels en groeien haar bomen niet. In haar huist een sterk verlangen om terug te keren, maar tegelijk blijft zij onlosmakelijk verbonden met het afscheid.
–
Je zei dat je een haven was
en ik enkel een schip,
dat soms voor een paar dagen
bij jou voor anker gaat,
om daarna weer uit te varen.
–
Of misschien zou jij mettertijd mijn thuis worden,
de plek waar ik veilig terugkeer,
omdat ik weet dat jij op me wacht,
gek als je bent en met open armen.
–
Maar ik moest weer de zee over
en weer kwelden we elkaar
met lange brieven en valse illusies,
omdat afstand zijn tol eist.
–
Of vergiste ik me, geloofde ik vergeefs
in vermomde geloftes?
–
Zo zal ik andere havens blijven zoeken
om te ankeren
en jij zult schepen blijven ontvangen,
die naar thuiskomst verlangen.
–
[p.68]
In haar gedichten klinkt een verlangen naar erkenning van haar cultuur en taal. Misschien is dat de reden waarom enkele Papiamentse woorden niet naar het Nederlands zijn vertaald. In de Engelse vertaling gebeurt dat wel. Zo wordt ‘concerten van chuchubi’s’ vertaald als ‘mockingbird concerts’ en ”naar de kunuku’s, ’s morgens vroeg” als ‘to the farm in the early morning’. Ini Statia is een dichter die verleden en toekomst tegelijk wil dragen, zonder te verdrinken in de last van het verleden. Aan de rand van mijn eiland is een bundel die de sporen draagt van vriendschap en verlangen.
___
Ini Statia (2026). Aan de rand van mijn eiland. Uitgeverij In de Knipscheer. 84 blz. € 19,50. ISBN 9789493368408


