door Hettie Marzak
Meander Klassieker 303
Hettie Marzak bespreekt het gedicht ‘Gent’ uit de bundel Dat zij mij leest (1998) van de Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune (1965-2020) over een totaal onverwacht museumbezoek, met een al even onverwacht shockeffect.Gent
–
–
Vanmiddag zag ik het Lam Gods.
Dat was niet mijn idee, maar dat van regen,
met bakken, en pal daarna weer volop zon.
Als toerist was ik de enige die in de kerker bleef.
Ik keek naar het paneel der musicerende engelen,
maar zag veel meer, evenveel jou tenminste.
Daarna, in een flits van eeuwen,
zag ik ook mezelf, in mijn geheel: van hout, in Gent,
druipend, een stuk ontstolen en nu ook dit.
–
Ik keek naar wat je zong en hoorde het geneuzel
van een oude vrouw die naast me zat te bidden.
Bij een pilaar waaraan geen beeld meer hing
(alleen dat bleke van een weggenomen lijst)
verbrandde ze een kaars waarvan ze het verlengde was,
het verlangde, zeer van paraffine. Ze brandde nauwelijks
en toch helemaal. Ik kan niet doven, zei ze. Ik mag niet.
–
De evenaar rond mijn ziel viel als een touw uiteen
en wat mij draaiende hield moest sleuren.
Met stijl probeerde ik de kathedraal te verlaten.
Geen stap was overbodig, alleen maar tevergeefs.
Ik loop zo vaak verloren dat ik het nauwkeurig kan.
–
–
–
Koenraad Goudeseune (1965-2020)
uit: Dat zij mij leest, 1998
uitgever: Atlas
Analyse
Koenraad Goudeseune (1965-2020), een jonggestorven Vlaming met een naam als in een sprookje of een ridderroman, voelde zich als dichter miskend. In dertig jaar schreef hij negen gedichtenbundels en zeven prozawerken, maar van het grote publiek kreeg hij niet of nauwelijks de waardering waar hij zo naar zocht. Hij was een romanticus die zo helder mogelijk wilde dichten, met liefde en dood als onderwerp en met sarcasme als werktuig. Hij koos voor een vrijwillige dood toen er bij hem kanker was vastgesteld. Sharon Kromotaroeno heeft over hem in 2023 een 55 minuten durende documentaire gemaakt, getiteld: Ik heb voor niks geschreven. De moeite waard om te bekijken.
Het bovenstaande gedicht heeft als titel ‘Gent’, de stad waar Goudeseune sinds 1989 woonde en werkte en waar hij gestorven is. De kathedraal waarvan sprake is, is de Sint-Baafskathedraal, waar het wereldberoemde schilderij van de gebroeders Van Eyck hangt: ‘De aanbidding van het Lam Gods’, dat geschilderd werd in 1432. Op Wikipedia is dit polyptiek gedetailleerd te bekijken en dat is ook aan te raden om het gedicht te kunnen begrijpen:
© Jan van Eyck / Waarschijnlijk Hubert van Eyck – Wikipedia
Vanmiddag zag ik het Lam Gods.
Dat was niet mijn idee, maar dat van regen,
met bakken, en pal daarna weer volop zon.
Als toerist was ik de enige die in de kerker bleef.
Ik keek naar het paneel der musicerende engelen,
maar zag veel meer, evenveel jou tenminste.
Daarna, in een flits van eeuwen,
zag ik ook mezelf, in mijn geheel: van hout, in Gent,
druipend, een stuk ontstolen en nu ook dit.
De dichter, die ik voor het gemak met het lyrisch ik vereenzelvig, loopt de kathedraal in, alleen maar om te schuilen voor de regen, die ‘met bakken’ naar beneden komt. Als dan de zon weer gaat schijnen, gaan de toeristen weer naar buiten. Maar de dichter blijft in ‘de kerker’. Hoezo een kerker? Misschien noemt Goudeseune het een kerker, omdat hij gezien heeft dat de Villakapel, waar het doek sinds 1986 hing, zeer streng beveiligd was. Om veiligheids- en conservatieredenen werd het bewaard in een geacclimatiseerde en zwaarbeveiligde kooi. In 2021 werd het na restauratie overgebracht naar de Sacramentskapel in een glazen kooi, met een alarmsysteem, een gewapende kapeldeur en camerabewaking. In De Volkskrant van 28 januari 2011 zegt restauratiedeskundige Anne van Grevestein over de beveiliging van het schilderij: “Neem de glazen kooi, het ‘aquarium’: ‘die beschermt tegen dingen die zeldzaam zijn, zoals aanslagen. Maar als het altaar in geval van acute nood in veiligheid gebracht moet worden, dan kan dat niet. De kooi is ook een kerker.”
De dichter kijkt vervolgens naar het linker paneel, dat van de zeven ‘musicerende engelen’, en herkent in ieder van hen zijn geliefde. Zijn fantasie leidt hem naar de vijftiende eeuw en weer terug: hij ziet zichzelf: ‘in mijn geheel, van hout’. Herkent hij zichzelf in een van de vele mannenfiguren op het schilderij: Johannes De Doper, Adam, Jezus? Had de dichter toen ook al zijn volle baard en weelderige haardos? De eeuwen vliegen voorbij: als hij spreekt van ‘druipend’, zijn we weer in het heden aanbeland. Druipend van de regen waarvoor hij trachtte te schuilen.
Bij ‘een stuk ontstolen’ keren we terug naar het Lam Gods, waarvan in 1934 twee panelen gestolen werden. Het paneel linksonder, dat van ‘De rechtvaardige rechters’, werd nooit teruggevonden en is in 1939 vervangen door een kopie. Maar ook kan ‘een stuk ontstolen’ op de geliefde wijzen, die hem als het ware ‘ontnomen is, waardoor hij een stuk van zichzelf is kwijtgeraakt.
‘En nu ook dit’: is ‘dit’ de schok der herkenning als hij ‘evenveel jou’ tussen de engelen ziet staan? Misschien is zijn geliefde gestorven en opgenomen in het hemelse koor, misschien heeft zij hem verlaten en heeft hij daar nog steeds verdriet van. Hij ziet in ieder van de engelen zijn geliefde terug.
Ik keek naar wat je zong en hoorde het geneuzel
van een oude vrouw die naast me zat te bidden.
Bij een pilaar waaraan geen beeld meer hing
(alleen dat bleke van een weggenomen lijst)
verbrandde ze een kaars waarvan ze het verlengde was,
het verlangde, zeer van paraffine. Ze brandde nauwelijks
en toch helemaal. Ik kan niet doven, zei ze. Ik mag niet.
‘Ik keek naar wat je zong’, zegt de dichter. Maar er is geen bladmuziek aanwezig op dit paneel, dus niemand weet wat de engelen zongen. Is er bij Goudeseune sprake van synesthetische ervaring, waarbij het ene zintuig zich mengt met het andere? Kijken met horen? Wat hij daadwerkelijk hoort, is het ‘geneuzel van een oude vrouw’. ‘Geneuzel’ is geen prettig woord. Het behoort tot de pejoratieve categorie van langdradig zeuren en onduidelijk nasaal spreken. Het is denigrerend en oneerbiedig. Ik denk dat de dichter het woord gebruikt om het contrast tussen de zang van de engelen en het gepraat van de vrouw, het hemelse en het aardse, te versterken.
De daaropvolgende versregels zijn raadselachtig: de oude vrouw ‘verbrandt’ een kaars. Verbranden heeft een andere betekenis dan een kaars branden. Liet zij de kaars helemaal opbranden? Betekent dit dat haar geste nutteloos is? Een kaars die brandt is het verlengde van wie de kaars aansteekt, de brandende kaars staat symbool voor wat de vrouw verlangt. Zij steekt een kaars op om haar wens in vervulling te laten gaan, om zegen af te smeken.
‘Ik kan niet doven, zei ze. Ik mag niet’: hier is het de kaars die spreekt; als zij uitdooft, is voor de oude vrouw de hoop verloren dat haar wens uitkomt. Maar de kaars ‘brandde nauwelijks en toch helemaal’: er flakkert een broos vlammetje, dat dreigt te verdwijnen, zoals het paneel dat gestolen is, zoals de geliefde van de dichter is weggegaan.
Goudeseune legt in zijn gedicht een verband tussen ‘het verlengde’ en ‘het verlangde’. Maar etymologisch gezien hebben die twee werkwoorden niets met elkaar te maken, al is de aanname van verwantschap wel een romantische verklaring die Goudeseune goed van pas komt in het gedicht.
En ‘zeer van paraffine’, wordt hiermee aangegeven dat de kaars en de oude vrouw van zuivere kwaliteit zijn? Helemaal van paraffine? Zou het kunnen verwijzen naar de wat doorschijnende huid van de oude vrouw? Een wassenhuid – een levensecht anatomisch model wordt gemaakt van bijenwas of paraffine. Of moet ik ‘zeer’ als pijn opvatten, de pijn van paraffine die ‘verbrand’ wordt? Oud zeer, omdat de vrouw zo oud is? Is ‘zeer’ een bijwoord of een zelfstandig naamwoord? Als de kaars is opgebrand, is dan ook de pijn weg?
De evenaar rond mijn ziel viel als een touw uiteen
en wat mij draaiende hield moest sleuren.
Met stijl probeerde ik de kathedraal te verlaten.
Geen stap was overbodig, alleen maar tevergeefs.
Ik loop zo vaak verloren dat ik het nauwkeurig kan.
In de laatste strofe is het beeld van de evenaar rond zijn ziel goed getroffen, als een touw dat de boel bijeen moet houden. Het touw is gaan rafelen en zijn ziel valt uiteen. Misschien was het zien van de engel in het koor en de herinnering aan zijn verloren geliefde de genadeklap, misschien waren het de kaars en de woorden van de oude vrouw.
De dichter zegt vervolgens dat wat hem ‘draaiende hield moest sleuren’. Wat zijn bestaansreden was, moet hij zich goed voor ogen houden, anders heeft het leven geen zin meer. Het doet me denken aan een ouderwetse tol waar kinderen vroeger mee speelden, die je aan het draaien bracht door aan het touw te trekken dat eromheen gewonden was. Dan tolde hij triomfantelijk om zijn eigen as. Deed je dat niet goed, dan viel de tol om.
De dichter loopt voorzichtig naar buiten, hij kan zich maar met moeite losscheuren van het schilderij: ‘Geen stap was overbodig, alleen maar tevergeefs.’ Hij komt er niet van weg.
Om te besluiten met die prachtige eindregel, die geheel op zichzelf kan staan en waarin een paradox tot uitdrukking komt, die de dichter die Goudeseune was kenschetst: ‘Ik loop zo vaak verloren dat ik het nauwkeurig kan.’ Verdwaald raken ondanks alle pogingen om het zo goed mogelijk niet te doen. Ook hier treffen we een tegenstelling aan: verdwalen is geen bewuste handeling te noemen, dus hoe kun je dat dan ‘nauwkeurig’ doen? Hij is de weg kwijt, letterlijk en figuurlijk, maar hij weet dat goed te verbergen voor anderen, ‘met stijl’, zo goed, dat hij zelf in die camouflage is gaan geloven.
‘Gent’ is een prozagedicht bestaande uit versregels van verschillende lengte, waarin verhevenheid en gewone uitdrukkingen als ‘met bakken’ met elkaar vervlochten zijn. Een gedicht dat uit tegenstellingen is opgebouwd, zoals de dichter zelf. Wat ook nog opvalt is de lengte van de strofen: 9 – 7 – 5 versregels, steeds twee minder per strofe, alsof daarmee het uiteenvallen en het verloren lopen gesymboliseerd worden. Had de dichter er nog twee strofen aan toegevoegd, dan was hij weg geweest.
Hettie Marzak
dank aan Joost Dancet voor feedback en suggesties
Meander Klassiekers
In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.Reageren op deze bespreking?
Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)Zelf een bijdrage leveren?
Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres) –Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

