door Hans Franse
In de kringloopwinkel ‘op Scheveningen’ vond ik een tweetal cd’s van Guy Béart, een Frans chansonnier, eind jaren vijftig begin jaren zestig populair in Frankrijk en ver daarbuiten. Hij werd in Egypte geboren in 1930. Er wordt van hem verteld dat, wanneer hij inspiratie kreeg voor een liedtekst, hij tijdens het bedrijven van liefde wegliep om het te noteren, waarbij hij zijn geliefde van het moment volledig vergat. Het leuke van Béart was dat zijn chansons vaak klonken als volksliederen, die hij door zijn programma mengde. Het waren meezingers. Op de Cd’s die ik vond, zingt hij in een Parijs theater samen met een wild enthousiast publiek dat meeklapt, meezingt en zelfs de melodie overneemt als de chansonnier stopt. Het gaat om liefdesliedjes, ongecompliceerd, met soms een anti-oorlogslied of een lied over dood en ziekte (Hôtel de dieu), maar de meeste heel herkenbaar: hoe fijn in de armen van iemand van het andere geslacht (Qu’on est bien dans les bras d’une personne du sexe opposé) of over het meisje, rap als het water, dat zich toch aanpast, gaat trouwen en huilend haar uitzet wast bij de snelvlietende beek (L’eau vive) of het speelse meisje Laura dat mannen als vliegen aantrekt die massaal om haar dobbelen wie haar mag hebben:
(Laura, lequel de nous l‘aura).
Hij had geen mooie, maar wel een aangename stem, die van een troubadour uit Zuid-Frankrijk; niet de klassieke, dat was te ingewikkeld. Hij zong als een jongen met een gitaar op een pleintje ergens in de Provence. Hij woonde in een dorp bij Saint Tropez (Garches); vanuit zijn boerderij regelde hij alles. Hij zong ook volksliedjes die hij tussen zijn eigen werk doorweefde, zo schoot je van Parijs in de twintigste eeuw naar de brug van Nantes of een 16e -eeuws liedje (1504) ‘Lámour de moy est enclose’.
Er schoot mij, bij het beluisteren van de muziek een herinnering te binnen uit 1967. Ik weet dat zo precies omdat mijn zoon toen geboren was. Ik moest voor mijn werk in Frankrijk zijn en belandde in de wat versleten badplaats Cabourg, waar ik arriveerde met een dieseltreintje vanuit Lisieux.
‘s Avonds ontmoette ik op het strand een tweetal meisjes, Estelle en Denise, waarmee ik aan de praat raakte. Het werd een heerlijk gesprek, na bijna zestig jaar ver weggezakt maar door Guy Béart kwam het terug. De meisjes studeerden Franse taal en literatuur in Lyon maar wisten ook veel van de grote chansonniers. Léo Ferré, George Brassens en anderen. Ik was gek op Frankrijk (mijn vrouw en ik zongen samen chansons en volksliedjes), de taal, de muziek, de warme croissants in de ochtend, de films; daarover praatten we tot diep in de nacht. Zo kwam het gesprek op de Pleiade, (het woord betekent Zevengesternte) een groep van zeven 16e-eeuwse dichters rondom superster Pierre de Ronsard (1524 – 1585), belangrijk voor de ontwikkeling van onze renaissance letterkunde aan het begin van de republiek toen de groeiende welvaart en de opkomst van metropool Amsterdam, een reveil van de klassieke kunst genereerde. Via Vlaanderen kwam die poëzie van de Pleiade naar de Nederlanden, met name het sonnet en de ode, vooral beoefend door de dichter Jan van der Noot.
Het waren niet de sonnetten zoals Petrarca ze schreef, want er leek alleen aandacht voor het formele, 14 regels, octaaf en sextet, plus het tellen van lettergrepen, de isosyllabie. Pas bij P.C. Hooft die in Italië de geest en de muziek van de sonnetten opzoog, lezen we het klankrijke Petrarcische liefdessonnet. Excuses voor deze simplificatie van invloed en uitwerking van de Pleiade aan Francofielen en kenners, aan mijn Vlaamse vrienden en collega’s, maar ik geef een zonnig gesprek weer op het strand van Cabourg: de zilte zee, de heerlijke avond, de maan en een goed glas wijn maken semi- wetenschappelijke beschouwingen minder genuanceerd. Estelle vertelde mij dat Ronsard, nolens volens dichter na een hevige oorontsteking waardoor hij doof werd en zijn militaire en diplomatieke carrière niet kon voltooien, ook ondeugende liedjes had geschreven, een subtiele kunst van verleiden waarin leven en dood samen kwamen in de lichamelijke liefde. Over Béart vertelde ze dat hij die tekst van Ronsard op muziek had gezet die verrukkelijk was om naar te luisteren. Op de juke-box was niets van Béart, wel ‘La mer’ van Trenet, ook wel fijn. We scheidden in de kleine uurtjes, na de adressen te hebben uitgewisseld.
Toen ik weer thuis was, kwam er een pakje uit Lyon. Er zat een LP in ‘Vive la Rose’…’Guy Béart chante les très vieilles chansons de France’. Het bijbehorende briefje van mijn beide literaire vriendinnetjes van één avond, vertelde dat ik wel met veel plezier de plaat zou draaien. Ze wezen op de tekst van Ronsard, ‘Quand au temple nous serons…’. Bij de tekst hadden ze geschreven ‘Meilleur souvenirs’.
Van ‘Vive la rose’werden we heel blij. Het gedicht van Ronsard is subtiele verleidingskunst. Ik citeer vijf strofen van deze dove verleider. De vertaling is globaal.
Quand au temple nous serons
Agenouillés, nous ferons
Les dévots selon la guise
De ceux qui pour louer Dieu
Humbles se courbent au lieu
Le plus secret de l’église.
Als we in de kerk zullen zijn, geknield, doen we alles wat de kerk van ons vraagt.
Mais quand au lit nous serons
Entrelacés, nous ferons
Les lascifs selon les guises
Des amants qui librement
Pratiquent folâtrement
Dans les draps cent mignardises…
Maar als we in bed zullen zijn, volgen we de gewoonten van geliefden die in een liefdesroes tussen de lakens honderd tederheden praktiseren.
…Pour qui gardes-tu tes yeux
Et ton sein délicieux,
Ta joue et ta bouche belle ?
En veux-tu baiser Pluton
Là-bas, après que Charon
T’aura mise en sa nacelle ?
Voor wie bewaar je je ogen, je delicate borsten en je mooie mond? Moet Pluto ze kussen nadat Charon je heeft overgevaren?
Ah, je meurs ! Ah, baise-moi !
Ah, maîtresse, approche-toi !
Tu fuis comme faon qui tremble.
Au moins souffre que ma main
S’ébatte un peu dans ton sein,
Ou plus bas, si bon te semble.
Ach, ik ga dood, kus me, vrouwe, kom dichterbij. Je vlucht als een trillende pauw. Maar onderga dan tenminste, dat mijn hand op je borst dartelt, of wat lager, als het je goed lijkt….
Ik ga toch maar weer een pick-up kopen. Vive la rose!
afbeeldingen © Hans Franse
–




