foto: Els de Groen, privécollectie
Els de Groen (Den Haag, 23 december 1949 – 19 oktober 2025), geboren als Elly Kouwenhoven, was dichter, schrijver, journalist en schilder. Al vroeg was zij gefascineerd door taal. Na haar studie Frans werkte zij enkele jaren als docent, waarna zij zich volledig aan het schrijven wijdde. In 1975 verscheen haar eerste boek.
Haar veelzijdige oeuvre omvatte kinderboeken, romans, journalistiek werk en poëzie. Haar betrokkenheid bij Oost-Europa en de Balkan vormde een belangrijke inspiratiebron. Zij schreef onder meer Het jaar van het goede kind (samen met Eduard Uspenski), De dag van het laatste schaap, Tuig (later heruitgegeven als Mijn buren, mijn vijanden) en De bruidskogel. Haar werk werd bekroond en in verschillende talen vertaald.
Naast haar literaire werk publiceerde Els de Groen journalistieke en beschouwende bijdragen in onder meer Hervormd Nederland, Opzij, Trouw, De Gelderlander en Knack.
Poëzie bleef een constante in haar schrijverschap. Eerder verschenen de bundels Wakker vallen, geïllustreerd met eigen schilderijen, en Hebben mollen weet van zonsondergangen. Sommige gedichten werden vertaald, onder meer in het Arabisch en Afrikaans.
Haar werk verscheen bij In de Knipscheer.
In 2023 verscheen een interview met haar op Meander. Met haar gedicht Kinderspel was zij een van de tien genomineerden voor de Rob de Vos-prijs 2024.
Flessenpost is haar laatste dichtbundel en verschijnt postuum bij uitgeverij Leeuwenhof; daaruit delen we graag een voorpublicatie.
–
Als de wereld ten ondergaat, scheep ik me niet in.
Arken zijn onbetrouwbaar. Als de wereld sterft ga ik
naar de kelder met zesendertighonderd mede-Ossenaren.
–
Een plaatselijke supermarkt doet ons uitgeleide.
OP is OP, orakelt de reclame op de ramen. VOL is VOL
echoën stemmen uit de diepte. We lopen al sneller.
–
In een parkeergarage schuilen kelderkamers: bedden
knus gestapeld, wc’s als schouwburgstoelen in een
rechte rij. Er is ventilatie. En een koelsysteem.
–
Om beurten gaan we liggen, om beurten ook weer staan.
Tijd wordt iets wat slobbert, ruimte iets wat knelt
redding wat ontreddert. Tot we buiten mogen.
–
Boven roert zich niets. Zelfs vogels zijn gevlogen.
We plunderen de winkel tot OP waarachtig OP is.
Dan gaan we het volk dat niet kon schuilen achterna.
–
(Derde prijs Stadsgedichtenwedstrijd Nederland/Vlaanderen 2019)
–
Twee stokjes om te zitten
meer meubels heeft ze niet.
Als ze niet zit, dan fladdert ze.
Als ze niet fladdert, eet ze.
Als ze niet eet, dan fluit ze
een bevrijdingsliedje.
–
Voor al wie achter tralies zit
achter tralies fladdert
achter tralies eet
maar niet vermag te fluiten.
Zoals de man die elke dag
even zijn kooi verlaat
–
om haar voer te brengen
en water te verversen.
De man die elke dag ontsnapt
om zich een paar minuten
te laven aan haar vrijheid
van één kubieke meter.
–
Het leven is als zand.
Je moet er water bij doen
om het vast te houden
kastelen mee te bouwen
sporen te verdienen.
–
Blootvoets of geschoeid
heb je het slib bestempeld
ribbels, hakken, tenen.
Wind wist wie je was
warrelt zand erover.
–
Nog kun je je verbeelden
dat je de zee getemd hebt
door haar twee minuten
om de tuin van je
luchtkasteel te leiden.
–
Maar ze is al binnen
maakt modder van de muren
en zeewater van modder.
Ze komt en gaat als jij.
Zij eeuwig en jij even.




