‘ik wou het heelemaal zeggen – / Maar ik kan het toch niet zeggen.’

Er wordt de laatste paar jaar weer opvallend veel gesproken en geschreven over ‘het onzegbare’ en wel op een manier of het om iets vanzelfsprekends gaat. Meestal wordt het in verband gebracht met metafysica, maar je kunt er ook op een aardser manier naar kijken: onzegbaarheid wordt in de eerste plaats veroorzaakt door de ontoereikendheid van de taal, iets wat we ook in het dagelijks leven ervaren. De column van Hans Puper.

Lees verder

Geurtjes

Er zijn auteurs die je tegenstaan, al zijn ze bij velen zeer geliefd. Een treffend citaat kan de reden daarvoor beter verhelderen dat een uitgebreide uitleg. De nieuwe column van Hans Puper.

Lees verder

Dagen

Er zijn dichters die heel ver gaan om bekend te worden: zij doen er alles aan zichzelf en hun poëzie ‘in de markt te zetten’ door te netwerken en zich binnen trends net genoeg van hun concurrenten te onderscheiden om als uniek beschouwd te worden. Hun volstrekte tegendeel is Kees Engelhart, die in stilte werkt aan een episch gedicht, dat zo’n 50.000 regels moet gaan tellen. De februari-column van Hans Puper.

Lees verder

‘Ik hou van jou, maar je ziet me niet’

Antjie Krog stelt in een interview met Hester van Hasselt dat dichters technisch gezien al eeuwenlang hetzelfde vertellen, namelijk ‘Ik hou van jou, maar jij ziet me niet.’ Jonge dichters en kunstenaars moeten ontdekken hoe dat nog niet is gezegd of uitgebeeld, anders kunnen ze net zo goed stoppen. Is dat ene thema niet wat beperkt? De nieuwe column van Hans Puper.

Lees verder

Waarom eigenlijk?

In zijn laatste column vroeg Hans Puper zich af wie de schepper is van Evi Aarens, de fictieve dichter van ‘Disoriëntaties’. Maar waarom wil hij dat zo graag weten? Maakt het wat uit of je te maken hebt met een echte dichter of een fictieve? Het werk moet toch voor zichzelf spreken?

Lees verder