Jacobus Bos – De waan en zin van het bestaan

Kamiel Choi over ‘De waan en zin van het bestaan’ van Jacobus Bos: “Waanzin is niet de afwezigheid van zin, maar op hol geslagen zin. We mogen poëzie verwachten die vanuit het perspectief van de waan de zin op de hielen zit. (…) Naar mijn smaak hebben veel gedichten net niet de kracht om bij herlezing te ontkomen aan hun zelfontkenning of verkitsching, wellicht omdat ze te ‘uitleggerig’ zijn en het perspectief van de waan voortijdig opgeven, waardoor ook de zin vervluchtigt.”

Lees verder

Jan Vanriet – Kouwe kleren. Gedichten 2008-2019

‘Kouwe kleren’ van schilder en dichter Jan Vanriet is samengesteld uit drie eerdere bundels en niet eerder gepubliceerde gedichten. Romain John van de Maele richt zich in deze recensie op de wisselwerking tussen woord en beeld enerzijds en ’s dichters engagement anderzijds. Van de Maele: [Bij Vanriet is] ‘de taal is onze eerste en laatste burcht. Met woorden kunnen we ons herdefiniëren en verdedigen. Een dubbeltalent als Vanriet kan bovendien die strijdbare houding ook in beelden vorm geven.’

Lees verder

Poëzie Kort 2019 / 9

In de nieuwe ‘Poëzie Kort’ recensies van Maurice Broere, Eric van Loo en Lennert Ras over de bundels ‘Baah baaah krakschaap/De P van winterslaap’ van Martijn Benders, ‘op de rand van het zwijgen’ van Akim A.J. Willems en ‘Landschap van mijn zijn, Spiegelfragmenten’ van Sjaak Klaver.

Lees verder

Pieter de Bruijn Kops – De minderweter

Hans Puper over ‘De minderweter’ van Pieter de Bruijn Kops: ‘[Het] is een bundel die tot nadenken stemt over poëzie , tot minder weten wellicht, maar dat is alleen maar goed. Aan vastomlijnde ideeën over regels waaraan poëzie zou moeten voldoen, heb je niets. Dan kun je net zo goed stoppen met het schrijven en lezen van gedichten en iets nuttigs gaan doen.’

Lees verder

Johannes heeft het moeilijk

Hans Puper: ‘Een tijdje terug zag ik tot mijn verrassing Johannes staan op een druk perron in Arnhem. Ik had hem al 25 jaar niet gezien. Hij was kaal geworden en had geen snor meer, maar verder was hij weinig veranderd. Hij herkende me niet; ik moest hem vertellen dat we heel goede collega’s zijn geweest. Hij bleek nog dezelfde vriendelijke tobber als toen.’

Lees verder