Ivo van Strijtem – De vrolijke tijd

‘De vrolijke tijd’ van Ivo van Strijtem brengt volgens Peter Vermaat gevarieerde kost op tafel: ‘Zowel de liefde, het (latere) leven, de dood, het kwaad in de wereld als de poëzie worden bezongen in overwegend rijmloze, maar bij tijd en wijle ritmische verzen, waarbij het niet zozeer de taal zelf is, als wel de ongezegde woorden die beelden oproepen die de dichter voor de lezer voor het oprapen legt.’

Lees verder

Esther Jansma – De spronglaag

Wim Platvoet voelt zich niet betrokken bij ‘De spronglaag’ van Esther Jansma: ‘De anekdotische jeugdherinneringen worden op een nogal directe manier in bizarre sprookjesachtige teksten verteld, maar de verwijzing naar werkelijk gebeurtenissen blijft steeds pijnlijk voelbaar. In die zin blijven de prozaïsche teksten, die grofweg de helft van de bundel beslaan, steken in de metaforische onmiddellijkheid van hun beschrijving. Het blijven daardoor mededelingen over een verschrikkelijke jeugd waar de lezer buiten blijft staan.’

Lees verder

Interview met Hans Puper

Hans Puper neemt na acht jaar en 250 (!) recensies verder, afscheid als recensent, hij blijft wel zijn columns schrijven. Zijn naam is in de afgelopen jaren een begrip geworden in de poëziewereld. Zijn mening doet ertoe. Hij wist zijn publiek te enthousiasmeren voor poëzie, een recensent in hart nieren. Janine Jongsma ging in gesprek met hem.

Lees verder

Babeth Fonchie Fotchind – Plooi

Peter Vermaat vindt in de debuutbundel ‘Plooi’ van Babeth Fonchie Fotchind, van alles terug, maar geen poëzie: ‘Het gebruik van parlando (nogal eens in babbelmodus) en de reportage-achtige beschrijving van gebeurtenissen is eigentijds en zal het waarschijnlijk goed doen op bepaalde podia. De taal brengt de lezer echter nergens in verwarring, doet geen pijn, reikt niet naar meer en vooral buiten wat er staat.’

Lees verder

H.C. ten Berge – Een kinderoog

Johan Reijmerink bespreekt in een longread de bundel ‘Een kinderoog’ van H.C. ten Berge: ‘Hoe gelukkig kun je zijn en worden in tijden van oorlog, schaarste en wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog? Hij verwoordt de kantelmomenten van zijn geestelijke en fysieke ontwikkeling als kind. Het gaat niet alleen om de vervreemdende wereld buiten de ik, maar ook om de veranderende wereld in hemzelf. Ten Berge kiest voor verhalende poëzie, verdeeld over vijf grote afdelingen die in essentie nog zoveel dubbelzinnigheid in zich dragen dat ze meer zijn dan een beknopt prozaverhaal.’

Lees verder