Klassieker 107: Miriam Van hee – reeën

De poëtische taal van Miriam Van hee (Gent, 1952) bestaat volgens Inge Boulonois uit subtiele observaties en doet denken aan een monologue intérieur. Haar gedicht ‘Reeën’ klinkt als gefluister, als een vluchtige bespiegeling.

Lees verder

Klassieker 105: C.O. Jellema – Aurora borealis

Wie wel eens foto’s van het noorderlicht heeft gezien, kan zich goed voorstellen wat voor overweldigende ervaring het is dat in werkelijkheid te zien. Jellema probeert deze ervaring op te roepen in het gedicht ‘Aurora Borealis’. Bettine Siertsema komt danig onder de indruk van de poëtische krachttoer.

Lees verder

Klassieker 103: Guillaume van der Graft – Brood op de wereld

Karin Doornik bespreekt ‘Brood op de wereld’ van Guillaume van der Graft. Al heeft de dichter zelf het gedicht kennelijk niet willen bewaren, het sprak haar direct aan, autonoom, zonder de kennis van eventuele thematische samenhang met ander werk of van de biografie van de dichter. Het was met name de klankrijkdom van de eerste strofe die haar meteen opviel.

Lees verder