Gedichten
Gedichten
Koos van den Kerkhof
Zitten
Hij is mijn ezel
op de weg
naar de oceaan.
Het oog valt op
de slijt, de rafels
aan de stof
voor ik omkeer,
ga zitten.
Als ik letters tik
lees op het scherm
praat over de krant,
altijd draagt hij mij.
Hij kraakt en piept;
mijn hersenen
slapen op de golven.
Gedichten
Jelou
Geteend
Dat je niet praat
tot daaraan
maar appelrot
schimmelt
de mand
Was het gevlochten
niet geteend
genoeg?
Riet kan soepel
als het nat
buigzaam
zonder breken
en toch
pittig
Bevochtigen
met liefde
maakt speeksel
overbodig.
Gedichten
Bert Lema
Een reis voorbereiden
wanneer het vertrek aanbreekt
is al het mogelijke bereikt
maar we zoeken het beven
in dit gebalde deze vaste hand
we liggen languit
overmand door ons willen
tot onze greep lost
de reis begonnen en beëindigd
vertrekken we buiten ons weten
Gedichten
An Vandesompele
Stuiterballenruis
Soms wegen de dagen hier zo zwaar dat
van praten niets meer komt, dan worden
vader en moeder angstige dieren met
blikkerende ogen in de koplampen van
de ander, klaar om vermorzeld te worden
onder een stel banden.
Ze zijn lang geleden vergeten hoe het heet
te ruiken naar de ander, fopkussen te stelen
of ademloos de haakjes te sluiten.
Ze zijn ver en lang verlangen, de vaalheid
van oude foto’s en woorden, het ruis op een
zestien millimeterfilm, de aanslag op een
ruit die van binnen warm is en van buiten
koud.
Tot het avond wordt. Dan sluiten ze elkaar
weer binnen als vanouds, wordt zuur
zoet en vuur gloed. Zo verwonden we elkaar
altijd maar, zijn we roof- en prooidieren in
een zelf bed
Gedichten
Louis Esterhuizen
Lyfkaart
Jy ken die geure van haar lyf,
die reuk van perskes
onder borste. Die gewig daarvan
in jou hande. Jy ken die klam lower
van nat hare teen jou gesig.
So ook donkertyd se vreugdes
Wat sy oor jou lê.
En wanneer jy jou oë toemaak,
vind jy haar telkens weer
in al die voue terug: van agter die knie,
tot in die elmboog se waai;
van die voet se spoor, tot die kurwes
om oogbank en neus. Van wimper
tot sool ken jy immers
die geluide, die kreun van ‘n lyfkaart
wat behoue, dog bykans
verlore is.
Lijfkaart
Jij kent de geuren van haar lijf,
de reuk van perziken
onder borsten. Het gewicht daarvan
in je handen. Jij kent het klamme lover
van natte haren tegen je gezicht.
Zo ook de
Gedichten
Theo Monkhorst
Ik maak de maan
Voor D.
Hoog de felle maan
en vlokken wolk kwaadgrijs
ik in het licht
zie het schuiven van
wolken voorlangs
de grote lachebek
maar wolken
weten niet van maan
en maan weet niet van wolken
alleen ik ken de lachende maan
achter wolken die kwaadheid niet kennen
laat staan schuiven voorlangs
ik die het licht ontvang
de maan maak
en het schuivende kwaad.
Gedichten
Lucas Hirsch
Jonas
In de buik van het beest geweest
het verhaal van Jonas verteld
op hoop van zegen
de juiste zeemanstatoeage
laten zetten
Zwaluw, anker, hart?
Als ik van de vis wist
had ik het apocalyptische verhaal
van de albatros en de bemanning vanaf
de kade in uw richting geschreeuwd
Had ik zie je wel
ik had het nog gezegd, gezwegen
Gedichten
Lies Van Gasse
Over iets dat ze vergeet
Buiten staat een kind te huilen.
Ramen, deuren houden vast.
1.
Er zijn meer wegen
dan die door donker gaan.
Bermen, haltes, grasvelden.
De ochtend geeft als antwoord
niet dit opstaan, rapen, wandelen.
Hoezeer kan men vertrouwen
op dit gras?
We weten dat de dageraad
bedrieglijk is. Jij zegt
het klaren van de huizen,
het breken van de dauw.
Wat niet bestaat is erger.
De huid verliest haar glans,
je slaat een wig in wat zich
mettertijd heeft opgezet.
Gedichten
Sylvie Marie
weerbarstig
bedenk me als een stukje papier
dat je onbedacht in je jaszak propt
nadat je er wat op schreef. ik laat open
wat, al hoop ik: laat het een zin zijn. één
voor in een vers van later en waaraan je
blijft denken, nog lang nadat je me wegstopte.
je kent de zin naderhand vanbuiten. hij doemt op
als een mantra in je hoofd. toch, nooit vind je er
de juiste context voor: een goed gedicht
dat de zin plaatst, omkadert, bovenal temt.
hoe je me dan na verloop van tijd bovenhaalt,
streelt en zucht: wat moet ik met je aan?
