Meandermagazine
Poëzie in beweging

Maria Barnas - Tussen mij
In de nieuwe bundel van Maria Barnas, ‘Tussen mij’, neemt de ik-persoon steeds in wankelmoedigheid op een andere manier tegenover zichzelf en de buitenwereld een andere positie in, stelt Johan Reijmerink. Het citaat dat aan de afdelingen voorafgaat zet de toon: ‘daarin schuilt een diep verlangen om op gezette tijden voor zichzelf en de ander te verdwijnen.’

Tom Driesen
Bijtend, humoristisch, origineel, in een eigen taal, vol lef en kracht, zoals hij het op het podium brengt, we horen hem. Schreeuwende regels als ‘Konden we maar even / boven onszelf en met die stem / de zwaartekracht uit onze voeten springen’ en ‘Ach konden we maar even / onze helden weer de hemel in vertellen.’

Xavier Roelens - Wildnissen
Francis Cromphout bespreekt ‘Wildnissen‘ van Xavier Roelens: ''De titel is een neologisme dat verwijst naar het verzet van verschillende levensvormen tegen het onheil dat zich aankondigt in onze tijd, in de eerste plaats rond klimaatrampen. Zijn bezorgdheid om het klimaat is nauw verbonden met zijn vaderschap van wat hij zijn 'zelfgemaakte' kinderen noemt.''

Hans Andreus honderd jaar
Het gedenken van een honderdste geboortedag is een mooi gebruik. Jan van der Vegt over Hans Andreus, de ware ‘dichter van het licht’. Andreus schreef een poëzie die ertoe doet, die niet vergeten mag raken. Het is een poëzie die van begin tot eind een levensverhaal niet vertelt, maar aanwezig laat zijn.
Klassieker 298 : Ellen Deckwitz – Onze moeder kan een voetstuk op (één teug)
Fred Tak bespreekt het gedicht 'Onze moeder kan een voetstuk op (één teug)' uit de debuutbundel De steen vreest mij (2011) van Ellen Deckwitz (°1981). Rijk aan beelden en tegelijk schrijnend, is dit gedicht. De taal dartelt, maar onder het vrolijke schuim zit een bodem waar je even van moet slikken.

Wislawa Szymborska - Een titel hoeft niet
Peter Vermaat bespreekt ‘Een titel hoeft niet’ van Wisława Szymborska:
‘Szymborska lijkt de dichter van de omtrekken te zijn.’ Hij licht het toe: ‘zij beloopt de paden van het zichtbare, het voorbije en nog komende en laat daarbij het onzichtbare en onzegbare zo merkbaar onberoerd en onbetreden, dat het als een opzettelijk wit gehouden gedeelte van de kaart wel blijken moet.’
