'De stad zit nu echt onder mijn huid'

Bart Moeyaert werd drie jaar na het verschijnen van zijn debuut uitgeroepen tot stadsdichter van Antwerpen voor een periode van twee jaar. Nu die twee jaar bijna om zijn, blikt Meander samen met Moeyaert terug.

Lees verder

Gedichten

vogels drinken zand de bomen zijn rood aangelopen bladeren vallen niet nu het nooit meer winter wordt kruipt de kat in zijn bak stoffig donker dicht trekt schichtig korrelsporen naar zijn eten onze bak hangt boven bomen stoffig niet meer donker dicht sinds de zon door ozon straalt slapen we licht en open de zomerslaap brengt natte dromen ijstijd uit de diepvrieskist mikken we betonnen kruimels naar rode kruinen   Gemini ik ruik naar blauwe lucht jaag op hazen in een gele prairiezee ik bouw een burcht van zand langs oevers van een verdwenen meer een oor aan de grond […]

Lees verder

'Plezier in het taalspel is het belangrijkste'

‘Ik was dertien en een ‘moeilijke’ puber, of liever gezegd: de wereld deed moeilijk en daar moest ik over schrijven’, vertelt Maren Mostert. ‘Mijn eerste gedicht ging over een enge docent met een drankhoofd en een vette babylok.’

Lees verder

Gedichten

GEDICHT VOOR GELUKKIGE MENSEN Van alle mensen die het lachen is vergaan, loopt een op de drie blind over je heen en kijkt dan om. De wereld is juist niet van iedereen, dat slag. De overige twee vallen niet op. Hun armen bungelen halfstok. Onder hun tong zit gram. Ze kennen haast geen zinnen zonder tss. Zo zuinig zijn ze op hun lucht. Je staat erin voor je het weet. Heb ik iets van je aan misschien is uit hun mond geen vraag. Een wenk: kijk naast hun kleren. Wijs naar elkaar, wijs naar het water met de zon erboven. […]

Lees verder