Dichter worden in een uur

Carl de Strycker kocht ooit een boekje, Dichter worden in een uur, en ging aan de slag. Hij schreef honderden gedichten, puur als oefening, iedere dag minstens twee. Meer nog dan de inhoud interesseerde hem de technische kant van het gedichten schrijven: de klank, het ritme. ‘Dat is overigens nog steeds zo’, vertelt hij.

Lees verder

Gedichten

Miroslav Holub

zondag

De marathonlopers hebben de bocht bereikt:
zondag, de dag van trieste liedjes
bij de spoorbrug
en de wolken.

Jouw ogen, in het zenit –
dat te zeggen zonder je lijf te gebruiken is
als hardlopen zonder de aarde te raken.

Dertig jaar geleden
kwam hier een transport langs, open wagons
beladen met silhouetten,
hoofden en schouders geknipt
uit het zwarte papier van horror.
Die mensen hielden van iemand,
maar de trein komt leeg terug,
elke zondag, alleen
wat haarspelden
en sintels
op de bodem.

Wie weet hoe de aarde te raken,
wie weet hoe de aarde niet te raken.

We kunnen alleen nog geloven
in het bestaan van de marathonfinish
binnen twee uur en veertig minuten,
bij oorverdovend gedreun van wolken
en lege open wagons
op de spoorbrug.

Lees verder

Gedichten

Carl de Strycker

wij schrijven maar
blijven vreemden
van elkaar

elk woord mist
het gevaar van
een warme hand

en geen letter is
een gebaar waar-
mee je omarmt

wij schrijven elkaar
dichterbij maar
blijven alleen

en alleen in taal
naast mekaar
op bruggen staan

Lees verder

(11) De x-factor in poëzie

In deel 11 van ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ gaat Joris Lenstra in op de x-factor in poëzie. Hij wordt vaker niet dan wel genoemd. Dichters denken er liever niet aan. Het gedicht is er. Zij hebben hun werk gedaan. Toch is hij onmisbaar: de lezer van de poëzie.

Lees verder

Gedichten

Frouke Arns

vis zwemt, vogel vliegt, mens loopt

bij de bakker vandaag dacht ik aan Zátopek,
kleine schildpad uit mijn jeugd met wie ik sprak
over parfum van 58 rozenblaadjes
geraapt op het pad achter de Nu Nog
de eerste borsten in de klas,
weer niet gekozen bij gym.
veel zei hij niet, knipperde traag
met leren leden, knikte wijs
tegen het stille huis en mij.

was het de tijgerbol, of de eeuwenoude blik
in de ogen van het kind in de rij
waardoor ik dacht aan de minuscule halfronde hapjes
die hij met zijn mummelmondje uit het blaadje nam
van het klavertje vier, geluk dat ik wilde delen.

Lees verder