Gedichten

Jos Versteegen

Iets moois voor films

De hennen zaten ’s ochtends nog
bijeengekropen aan de wand,
er lag een sneeuw van bruine veren.
Hij zag de rattenpoot waarop
de klem was dichtgeslagen, ’s nachts,
achter een scherm van kippengaas.
Het dier dat zich had losgevreten.

De buurman luistert, roert zijn koffie,
stoot sigaretten uit een pakje.
De lucifers, de rook, het lachen.

Hij trok de kaken los, viste
de rattenpoot uit mest en zaagsel
en wierp hem buiten van zich af,
een boemerang van vlees en bloed,
verdwenen in een struik maar door
de grote hond teruggehaald.
Het was om zes uur in de morgen.

Ze drinken bier – de flessen sissen –
en eten peperkoek met boter.

De rat zou doodgebloed zijn, dacht hij,
of anders hompelde ze nu,
iets moois voor films op televisie.
De poot lag aan zijn voeten in
het gras en werd hem nagedragen
tot bij de schuifdeur, waar de hond
ging liggen en de botjes kraakte.

De asbak met de peuken, smeulend,
de oliekachel hoog, en hoger,
de borden erwtensoep, het spek.
Naar buiten, staan tegen het huis,
dat koud is aan je rug.

Lees verder

Gedichten

Krijn Peter Hesselink

Lotgenoten

Een knikker ligt op straat, ik buk, het is
zo’n grote, tientallen gewoontjes had ik
er vroeger voor over om zo’n knikker op
mijn handpalm rond te mogen laten rollen

Een zwarte man loopt naar de tram, sportschoenen
een beige pantalon, een overhemd
een pet van gangsterrapper 50 Cent
en op die pet twee plastic duivelhoorntjes
en in zijn hand een plastic drietand om
in zondig vlees te prikken, de tram
rijdt voor zijn neus de straat uit, hij heeft
geen weet van wat hij heeft gemist, de vork
hangt langs zijn lijf, nog even en de tanden
boren zich in het gebarsten asfalt

Hoe lang kan iemand zo verloren blijven
tot iemand hem de hand reikt, in de mijne
rust nog die knikker, onwillekeurig breng ik
hem naar mijn mond, ik proef de smaak van glas
ik voel de vorm van groot en hard en rond

Een jongen drukt een iPod tegen de borst
probeert vergeefs Borsato’s stem te smoren
hij kijkt niet naar de vrouw die hem bedremmeld
voorbij laat gaan als zij, een zware tas
in elke hand, net de Hema in wil lopen
niet naar de man die worstelt met zijn fietsslot
niet naar de lieden in oranje hesjes
voorbodes van een opgebroken weg

En niet naar mij, de knikker rolt weer van
mijn lippen, ploft weer op mijn handpalm, kijk
ik ben een kip, leg in mijn hand een ei
ik ben een vis, neem afscheid van een luchtbel
en om mij heen, zover het oog reikt, kinderen
die snakken naar wat adem

Uit: Stil alarm, 2009, Nieuw Amsterdam

Lees verder