Gedichten

Kira Wuck

Als het regent op zondag
regent het bij ons anders dan bij anderen
de lucht is droger en de kat laat zich niet aaien

Vroeger hadden we een kijkgat in de schutting
daarachter gebeurde het

Vanuit de achtertuin zie je waar de vaat zich opstapelt
wat de afstand is tussen geliefden
als ze elkaar net niet raken

Intimiteit is erachter komen dat je met iemand
naar hetzelfde punt staart
zoals naar mijn ouders
die voor de zoveelste keer de muren witten

Lees verder

Over Finse meisjes

Kira Wuck (1978), dochter van een Finse moeder en Indonesische vader, stond in de belangstelling als winnaar van het NK Poetry Slam 2011 en van de Festina Lente Poëzieslag. Ze studeerde aan de Schrijversvakschool Amsterdam af op poëzie en scenario. Donderdag 27 september presenteerde ze haar eerste dichtbundel Finse meisjes.

Lees verder

Michaël Slory – Torent een man hoog met zijn poëzie

Al staat de Surinaamse dichter Michaël Slory met Torent een man hoog met zijn poëzie duidelijk in een orale traditie, de gedichten zijn niet neergezet in brede, epische streken. Slory is in de eerste plaats een taalkunstenaar die de bijzondere facetten van de werkelijkheid die hij waarneemt, bijslijpt tot juweeltjes. Ieder gedicht een geschenk, zo zal hij het bedoelen.

Lees verder

Jean Pierre Rawie – De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag

Rawie schrijft in De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag poëzie die gespeend is van originaliteit, geen moment nieuwsgierig maakt, niet uitdaagt. Er valt voor de lezer niets in te ontdekken. Maar er valt niet te ontkennen, dat van de beste gedichten een verleidelijke aantrekkingskracht uitgaat, omdat ze het vermogen hebben je in ieder geval voor de duur ervan mee te nemen en je van een bepaald inzicht te doordringen. De vele gemeenplaatsen en clichés gaan eigenlijk pas irriteren bij het lezen en herlezen van de bundel als geheel.

Lees verder

Kees Klok – Hoe de wereld zich zou openen

Hoe de wereld zich zou openen, de titel van de nieuwe bundel van Kees Klok, riep bij Levity Peters verwachtingen op. Hij was nieuwsgierig hoe hij het zou doen, de wereld, ‘zich openen’. Het gedicht met die naam zegt aan het slot: ‘We hoorden van later en van geduld/ en hoe de wereld zich zou openen// als we maar eenmaal echt schrijven konden.’ Toch denkt hij dat het een misvatting is dat schrijven de wereld kan openen. Dat er eigenlijk had moeten staan: ‘als we maar eenmaal echt lezen konden’. Het waarnemen van de wereld is immers ook een soort van lezen. Daarna pas komt het omzetten van die werkelijkheid in taal. Met schrijven open je geen werelden, je maakt er nieuwe mee. En elke lezer opent een andere. Het is voor hem de vraag of dat hier in voldoende mate gebeurt.

Lees verder