Moederdag

Speciaal voor onze moeders!

 

Die moeder

Die vreemde oorsprong van jou lewe het,
soos lig deur ’n kristal, deur my gevloei
in al die maande toe ek één was met
die stil geheim van jou verborgene groei.

En nou kan niks ons skei – want is jy niet
afhanklik en gebonde aan my bloed
wat met sy onbegryplike chemie
jou wonderlik gevorm het en voed?

En of die uur ver en vergete word,
en of die jare tussen jou en my
hul seile span, die see sy golwe stort,
of self die Dood sy somber baken steek,
nogtans sal jy aan my gebonde bly
met die onsigb’re naelstring wat nie breek.

(c) Elisabeth Eybers, uit Verzamelde gedichten (Van Oorschot, 1957)
De wolken

Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder –
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

-Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide –

(c) Martinus Nijhoff, uit Vormen (C.A.J. van Dishoeck, 1924),
opgenomen in Moeder – de bundel uit de foto (Zomer & Keuning, 1968)
Ik wil dat mijn moeder geneest in mijn gedichten

Dit is de ideale plek om na te denken over mijn moeder
De lege wachtkamer van de dierenarts
Zonder dier is het gemakkelijk om mij te concentreren
Mijn gedachten zijn perverse gevoelens
Ik wil haar redden, ik wil haar doden
Ik wil vooral dat ze opnieuw zelfredzaam is
Zodat ik opnieuw haar wrakkige sukkelachtige dochter kan zijn.

Er komt een vrouw binnen
Zonder dier is ze hier om de dierenarts te pijpen
Ze vraagt wat ik hier kom doen
Ik zeg dat ik wacht tot Fred is bekomen van zijn narcose
‘Fred is een zwaarmoedige varaan’, voeg ik eraan toe
Ik denk dat ze denkt dat Fred niet bestaat
Maar Fred bestaat
Natuurlijk is hij geen treurige varaan
Hij is wild en schuimbekkend vrolijk
In een terrarium op de vensterbank van mijn ex-leraar aardrijkskunde.

Een kleurloze figuur komt binnen met een lege kooi
Ongevraagd beschrijft hij de orthopedische problematiek van zijn cavia
‘Heeft de cavia een naam?’ vraag ik
‘Ja, natuurlijk’, antwoordt hij.

De dierenarts roept mij binnen
‘Hoe gaat het met je moeder in je gedichten?’ vraagt hij
‘Ze heeft het moeilijk’, zeg ik bedremmeld
Hij kleedt zich uit en niest op een reclameposter van antibiotic voor Siamese katten
Zonder kooi moet ik hem wel bevredigen.

(c) Delphine Lecompte, uit Blinde gedichten (Manteau, 2012),
opgenomen in de bloemlezing Je bent mijn liefste woord (Singel Uitgeverijen, 2015)
Moeder (I)

Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen:
zij moet de kamers doen; stof beeft;
dan dweilen, voor het eten zorgen,
zien wat van gisteren overbleef.

Ik ben in haar liefde geborgen,
die elk verraad der wereld overleeft:
wie ik ook werd, wij eten overmorgen
de koek die zij gebakken heeft.

Wanneer de zondagmorgen is ontloken
staat heel haar wezen in de blijde bloei,
waarin mijn wezen moet zijn aangebroken,

omdat ik dan niet meer gevoel
hoe door de dood is aangestoken,
wat bij een andere vrouw begon.

(c) Gerrit Achterberg, uit Osmose (Stols, 1941)
Dit gebeurde overal

Ik zou wel willen sterven, soms
op sommige ochtenden
in november
als de brievenbussen roder zijn

aan de andere kant
ik zit er toch goed bij
goed in mijn vrouw goed in mijn dochters
goed in mijn moeder
en warmpjes
in mijn gevoerde schoenen

(c) Remco Campert, uit Hoera, hoera (De Bezige Bij, 1965)
Onze Moeder I

Onze moeder kan een voetstuk op (één teug),
ze drinkt al jaren onder de tafel. Van flessenbodems
schrapen we gedachtenis af. We zetten ze bij,

de vaasjes waarop blank fluiteschuim bloesemt
en soms druipt het, soms knipoogt de fles soms

kruipen er wolken voor de zin. Slokken die
de dag van het gelaat vijlen. Wat doet iemand als wij
op een plek als enfin.

Onze moeder dus
die kan een voetstuk op.
Nu hop,

straks ziet ze dat we het aankunnen. Klappen we
voor ouders die niet willen dat er over hen wordt
gedroomd,

knip zegt het glas en de kamer gaat uit.

(c) Ellen Deckwitz, uit De steen vreest mij (Nijgh & Van Ditmar, 2011),
opgenomen in de bloemlezing Je bent mijn liefste woord (Singel Uitgeverijen, 2015)
Handschrift

Als een gedicht niet speelt met de woorden
als ’t niet zelf spel is
spel waarvoor spieren zich in de moedertaal spannen

als een gedicht niet de lezer verandert
zodat hij beter slaapt met zijn vrouw
praat met zijn vriend
eet met zijn kind

als een gedicht niet de hemel erkent
als de enige duizendogige moeder
die al haar kinderen overleeft
en de aarde aanvaardt als een vader
die kind is geworden
en broeder

als een gedicht niet helpt de gramschap tot vrede
te dwingen al is ’t maar zolang
de dichter het schrijft
en de lezer het leest

als een gedicht niet meehelpt de wereld bewoonbaar
te maken en oude wonden te helen

als een gedicht niet zichzelf laat verdwijnen
in stilte
of in ’t geluid van de stilte

(c) Adriaan Morriën, uit Verzamelde gedichten (G.A. van Oorschot, 1961)
Geplaatst in Gedichten.