“Eigenlijk loopt het fysieke, het lichamelijke door alles wat ik doe.”

Mandy Mariska Eggerding (1968) is theatermaker en studeert poëzie aan de schrijversvakschool in Amsterdam. Zij is betrekkelijk nieuw in de literaire wereld. Toch wordt haar werk opgemerkt. In 2019 won zij de Rob de Vos Dichtprijs met het gedicht – In Alles. Het afgelopen jaar werd zij uitgenodigd voor de festivals Dichters in de Prinsentuin en Onbederf’lijk Vers en belandde zij in de top tien van de Debutanten schrijfwedstrijd. Werk van haar werd gepubliceerd in literair tijdschrift Poesia, de Prinsentuinbijlage van de Groene Amsterdammer, de Vers-app en in de nog te verschijnen bloemlezing van Onbederf’lijk Vers.
In het voorjaar van 2021 verschijnt een 9-delige cyclus gedichten van haar in Het Liegend Konijn.

Alja Spaan sprak met haar.

foto Leloup Stout

 

Vorig jaar won jij de Rob de Vos-Wedstrijd 2019. Wat was het effect daarvan?
Ik ben geen wedstrijdmens. Zover ik me herinner is De Rob de Vosprijs de eerste prijs die ik ooit gewonnen heb in mijn leven. Fanatiek ben ik wel maar niet competitief.
Het winnen voelde als een staande ovatie na een voorstelling. Een positieve energie waarin je mag staan buigen. De woorden van de jury waren als het gesprek na de voorstelling met iemand uit het publiek, die de moeite neemt om je te vertellen waarom hij opstond en applaudisseerde. Dat is waardevol.
De andere kant gaat over wat er daarna gebeurt. De prijs kan werken als een katalysator. Het geeft anderen misschien net dat duwtje om je ook te lezen. Ik hoop dat dit is gebeurd.

Doe je aan meer wedstrijden mee of is poëzie en het winnen van prijzen een rare combinatie?
Ik hoop eigenlijk niet dat iemand schrijft om een wedstrijd te winnen. Wedstrijden, slams en publiceren in literaire tijdschriften zijn denk ik wel manieren om je werk onder de aandacht te brengen. Tegelijkertijd denk ik dat het goed is om je bewust te zijn van de beperkingen van een wedstrijd en jezelf een aantal vragen te stellen voor je meedoet: Is dit mijn plek? Is mijn werk er klaar voor? Hoeveel waarde hecht ik aan de uitkomst?
Zoals ik in een eerder interview zei: Ik denk dat een goede jury kwaliteit eruit haalt, dit houdt echter niet in dat alle werken met kwaliteit eruit worden gehaald.

Wat vind je van het huidige literaire klimaat?
In het hedendaagse werk dat ik lees, zie ik veel realisme en verhaalstructuren. De dichtvorm gebruikt als instrument om een ervaring of een moment neer te schrijven.
Daarnaast lees ik bij hedendaagse dichters ook veel montage-poëzie – naast elkaar geplaatste beelden of zinnen die samen een nieuwe werkelijkheid creëren. Bij sommigen werkt dit prachtig.
De poëzie lijkt ook weer meer op de lezer gericht, toegankelijker, beeldrijk en anekdotisch. Soms als aanroep of oproep. In het communiceren wint de helderheid het regelmatig van het magische. Dat magische kan ik erg missen als het er niet is. Niet alles hoeft wat mij betreft helder te zijn of in een begrijpelijke lijn te communiceren. Ik houd van het intuïtieve, het experimentele en de mogelijkheid om met woorden lagen zichtbaar te maken van leven die normaal niet direct zichtbaar zijn. Taal als muziek.

Je bent betrekkelijk nieuw in de dichterskringen, hoe ervaar je die wereld?
Als cirkels die elkaar overlappen. Net als in de theaterwereld splitst het zich op. Je hebt degenen die met regelmaat publiceren en gezien worden als ‘de dichters van deze tijd’, namen die hun plek hebben verworven en een bepaald aanzien genieten. Daarnaast is er een energiek gemêleerd gezelschap dat meer in de marge werkt en met veel energie literaire avonden organiseert, podia beklimt, verbinding zoekt met de beeldende kunst of film, online literaire tijdschriften leven inblaast of op andere wijze werk naar buiten brengt. Hier gebeurt veel.
In de dichters die ik heb leren kennen herken ik de zintuiglijke gevoeligheid. Het zit in kleine gebaren. Hoe ze een ruimte binnenkomen. Het opmerken van een beweging in het lichaam of een afdwalende blik. Een bijzondere groep mensen die je niet over een kam kunt scheren en toch overeenkomsten vertoont.

 

BREUKLIJNEN

Ik heb je niet gemist zoals voorheen
met water in de mond.
Ik draai mijn handen open op tafel
als smal tere dieren. Hoor
hoe mijn stem maar ook het licht
scherper schijnt nu je niets zegt.

Vogels zwijgen als er een aardbeving dreigt.
(Horen ze het komen?)

Huizen zullen vallen, meubels breken
maar ook de tijd.

Als je op staat trek ik mijn handen terug
nerven bloot op het gladde blad.
Het licht blijft, we kijken hoe het een breuklijn
snijdt. Ik leg mijn handen om je oren
vraag of je houden van kunt horen.
Je zegt dat je me niet verstaat.

Op je site staat bij het kopje Shortlist Debutantenwedstrijd dat het explosieve, beweeglijke en ook vluchtige van het theater lange tijd de juiste vorm was voor je werk. Wanneer veranderde dat en koos je voor het schrijven?
Als twintiger barstte ik van de energie: ik sliep weinig, danste nachtenlang en stond de volgende ochtend weer in de les of studio te repeteren. Ik had daarnaast vaak wel drie baantjes om rond te komen en was voortdurend bezig met het zoeken naar vormen om datgene wat er om mij heen gebeurde of wat me bezighield, te vertalen naar taal en beeld. Ik bevond me in een groep mensen die deze energie met elkaar in stand hielden. Ik vond het toen niet erg dat wat ik maakte alleen voor het moment bestond. Het magische gevoel van de theatervloer op gaan, de spanning of datgene zal gebeuren wat je bedacht hebt, is een pure drug.
Het is ook een trage wereld. Je bent afhankelijk van subsidies, andere mensen, een studio, een speelplek, publiek dat wel of niet komt.
In al die jaren was er ook het schrijven. In het theater werden dit monologen en dialogen. Het schrijven nam gaandeweg meer plek in. Ik ging meer schrijven en regisseren en minder zelf de vloer op. Tot ik merkte dat ook dat minder belangrijk werd. De teksten zongen zich los. Het beeldende, het spel, decor, lichaam, licht vond zijn plek in de taal.

Wat is de rol van het publiek bij het schrijven?
Ik ben overtuigd van de noodzaak van kunst. Kunstenaars bakken broodjes voor de ziel. Zonder verhongeren we. Voor de een zit het in muziek, voor de ander in een beeld, een film, schilderij, een theaterstuk of dans en weer een ander leest proza of poëzie. Iedere dag zijn we meermalen publiek.
Ik vertrouw grotendeels op een intuïtief bewustzijn bij het schrijven. Daarbij denk ik niet aan de toekomstige lezer. Later wel. Als het af is hoop ik dat, in zijn meest pure vorm, het gedicht herkend wordt door een ander.

Je bent nu met het eindwerk bezig voor de Schrijversvakschool. Wat is het belangrijkste dat je daar leerde?
Lezen. Steeds opnieuw lezen wat er staat en je afvragen of dat ook is wat je wilt dat er staat. Maar ook een stuk techniek en leren om taal te benoemen. Gereedschappen zoals het metrum, woordafbreking, rijm, binnenrijm, woordkeuze, assonanties, alliteraties, beeldtaal, verhaal, het woordbeeld of het semantische veld. Zodat je deze bewust wel of juist niet kunt gebruiken.
Ik kreeg onder andere les van dichters René Huigen, Erik Lindner, K. Michel en Sasja Janssen. Zij zijn subliem in het fileren van de zinnen. Tijdens dat fileren, fileer je ook je schrijfstijl en de oorsprong van het gedicht. Ik zag steeds beter waar ik naartoe wilde, hoe en waarom.

Heb je een ritueel bij het schrijven?
Nee, eigenlijk niet. Het schrijven zit door de hele dag. Soms schrijf ik in een uur een heel gedicht. Soms schrijf ik dagenlang losse woorden, halve zinnen.
Wat ik wel doe is dat ik vrijwel alles eerst in de notities van mijn telefoon schrijf. Deze notities heb ik gekoppeld aan mijn laptop. Als ik denk dat het leeft dan hevel ik het over naar Word en ga zitten. Daar heb ik meer overzicht en begint het slijpen. Ik kan eindeloos slijpen aan een gedicht.
Ooit las ik in een interview met een Antilliaanse dichter de woorden: een gedicht is nooit af, je verlaat het. Ik herken me in deze woorden.

Ben je opgegroeid in een cultureel nest?
Ik groeide, samen met mijn zussen, op in een huis vol creativiteit en vrijheid. Het waren de jaren zeventig. Tuinhekken werden weggebroken en op warme zomeravonden sliepen we buiten. Er was altijd muziek. Er waren boeken. Er was klei en verf. We leerden met ecoline verven en fotograferen. Op mijn twaalfde kreeg ik mijn eigen camera en ging de doka in met mijn vader. Overal waren muziekinstrumenten om te bespelen, van trommels tot gitaren, een dwarsfluit, mondharmonica’s en mondharpen. Rijen dik stonden de bandrecorderbanden en lp’s tegen de wand.
In de tuinkamer woonde mijn oma met haar witte haren in een galante knot en pijpenkrullen langs haar hoge jukbeenderen. Buiten droeg zij een groene cape over haar zelfgemaakte jurken afgezet met kraaltjes en kant, hoge hakken eronder. Zij was een bijzondere verschijning en een geboren verhalenverteller. Zij vertelde ons sprookjes en ook opera’s als spannende verhalen.
Er was thuis altijd wel iets creatiefs te doen. We keken weinig televisie en als we binnen niets wisten te verzinnen waren we buiten.
Ook herinner ik me de feestjes van mijn ouders met bevriende kunstenaars en andere vrienden. De discussies, hoe er muziek gemaakt werd en gedanst tot de vroege ochtend. Als kinderen hingen we daar in onze pyjama’s tussen of keken vanaf boven aan de trap naar het plezier en luisterden naar de gesprekken.

Nu begrijp ik hoe dit alles me bepaald heeft. Het creërende vuurtje werd ermee aangestoken. Ik denk dat dit ook zo gebeurd is bij mijn jongere zusje Daphne, zij is naar de kunstacademie gegaan en maakt prachtige pentekeningen.
Cultureel gezin?  Ik weet het niet. Wel weet ik dat twee levenskunstenaars ons een vrije, nieuwsgierige, kritische en creërende energie meegegeven hebben. Dus in die zin, ja, absoluut.

Waaraan voldoet volgens jou een goed gedicht?
Een goed gedicht opent doormiddel van beelden en taal een wereld boven en onder de onze. De precies gekozen woorden en beelden laten je voelen wat je al kende maar waar je geen woorden voor had of laten je iets zien waar je tot dan toe niet bij kon. Zoals een droom dat kan doen, of muziek.
Een goed gedicht kan ook steeds opnieuw gelezen worden en neemt dan weer andere vormen aan of legt nieuwe lagen bloot. Als een gedicht dit bij mij doet, dan noem ik het een goed gedicht.

Je bent trainer lichaamstaal/non verbale communicatie – hoe verhoudt zich dat tot de poëzie?
Eigenlijk loopt het fysieke, het lichamelijke door alles wat ik doe. Ik heb een grote fascinatie voor de taal van het lichaam, de letterlijke non-verbale taal maar ook de diepere biologische beweegredenen onder de huid die daaraan ten grondslag liggen.
In het gedicht ‘Zoiets’ is dit denk ik goed zichtbaar. In het gedicht beschrijf ik een lichaam waarin een verhaal ligt.
Op dit moment ben ik nog een stap verder aan het zoeken binnen dit gegeven. Dit is te lezen in de cyclus die in het voorjaar in het Liegend Konijn gepubliceerd wordt. Hierin zoek ik naar de verbinding tussen al wat leeft, gevoed door de kwantumtheorie en de dood van mijn zus Tessa.
Wat zijn we meer dan energie? En in hoeverre zijn wij verbonden met al het andere dat leeft? Zijn we elkaar? En ben ik dan deels met haar mee gestorven? Leef ik ook in mijn geliefde? In mijn kinderen? In de rivier, de vogel, de boom? Als ik mijn leven vertel is dit dan ook verbonden met jouw verhaal over jouw leven?
Het lichaam is daarbinnen een uitgangspunt – misschien ook deels een bediscussieerbaar kader – waarbinnen we onszelf het gegeven leven toe-eigenen. Dit ben ik. Maar wat ben ik dan?

 

ZOIETS

Als dan het stille van je blote voeten
op de grond, of bijna, onder je koude benen
zich krult om je tenen, niet bewegen, zittend
met je rechte rug naar de wereld

en de wervels zich stapelen als een pilaar
voor je smalle hals. Waar je niet buigt, opzij
je hoofd zo zwaar zal vallen, als, laat je je handen
naast je heupen, leunen op het bed, zodat alles zo stil.

In het late licht door het raam
dat aait, door los gevallen haar.
Je daaronder ademt en blijft.

Zo moet pijn zijn, weggekropen
waar je kijkt naar binnen als naar buiten
dat het zwijgt en tijd zich laat verstrijken.

Je deed ook fotografie, je bent uitermate veelzijdig. Zit de perfecte combinatie van dit alles in de door jouw samengestelde theatergroep Vendetta?
Ja absoluut, dit was een gouden combinatie, zeer explosief creatief. In deze samenwerking met beeldend kunstenaar/fotograaf Peter Day en Beeldend kunstenaar/fotograaf Rogier Alleblas maakten we onder andere multidisciplinaire theatervoorstellingen.  We zochten het experiment daarbinnen met zowel video, band-dia, installaties, dans en taal.
Na een aantal jaren, met de komst van grote liefdes en kinderen, zijn we alle drie doorgegaan met eigen werk en samenwerkingen met anderen. Ook mooi. Op dit moment ben ik heel blij met het autonome van het schrijven. De gedichten willen even alleen maar papier. Al kriebelt het wel als ik films kijk van bijvoorbeeld het Berlijnse Zebra poetry filmfestival of als ik een bijzondere installatie tegenkom waarin tekst wordt gebruikt, zoals bijvoorbeeld bij werk van Maud VanHauwert.
Kriebels zijn een goed begin voor nieuwe plannen. Dus wie weet.

Wat doet deze tijd met je? Kon je alternatieve plannen ontwikkelen?
Roerige tijden vind ik uitdagend. Ze zetten aan tot kritisch denken. Het is als reizen, je persoonlijke overtuigingen worden ter discussie gesteld. Deze tijd draagt angst en een grote beperking van de vrijheid en mogelijkheden bij zich. Ik zie dit terug in de mensen om mij heen. We moeten opnieuw definiëren wat vrijheid ons waard is, waar het leven over gaat. Welke plek geven we de gemeenschap, onze gezondheid maar ook de onvermijdelijke dood in dit geheel? Dat is interessant.
In de eerste weken verlamde de wereldfocus mijn schrijven. Ik wilde niet over corona schrijven maar het leek ook alsof al het andere geen plek meer had. Dit verlammende duurde gelukkig niet heel lang. In het schrijven heb ik de buitenwereld in principe ook niet nodig. En ook binnenshuis heb ik met mijn partner Rick Stout, regisseur en fotograaf en uitermate kritisch denker, genoeg uitdaging in de discussies over een gekozen woord, het leven, kunst, politiek en dat wat er gebeurt in de wereld.
Voor de festivals waarvoor ik was gevraagd, zoals Onbederf’lijk Vers en Dichters in De Prinsentuin, zijn alternatieven bedacht. Zo heb ik voor Dichters in de Prinsentuin gedichten ingesproken. Deze zijn te horen in de Vers-App. Je kunt een fietsroute kiezen op de site van Noordwoord [de organisatie achter Dichters in de Prinsentuin] en de app downloaden. Onderweg kun je de gedichten beluisteren. Een bijzonder initiatief. Tegelijkertijd hoop ik toch dat we snel weer kunnen optreden en bij elkaar kunnen komen. Niets is meer inspirerend dan de ontmoeting, de vrijheid om te gaan en staan waar je wil en de energie van anderen. Daar verheug ik me op.

 

LAAT ME ZIJN

Laat me zijn
breekbaar samenraapsel van huid en bot
met wangen om van binnen op te bijten
ogen om achter te verdwijnen, een buik
om in te huilen en onverwachte plaatsen
om in te schuilen van schedel, schouder
en het achterste van de tong.

Laat me zijn
een beven zonder harnas van wimpers
en tanden, lang uitgestrekte binnenwanden
vuurgedoopte handen, zenuwbanen
waar ieder bericht zich op lijkt te keren
tot waar het begon.

Laat me daar
wachten op een thuiskomst
een herhalende hartslag of andere tekens
van leven, als alles weer langer dan verwacht
ergens onderweg blijft breken.
Geplaatst in Interviews.