“voorbij woorden”

Monique Leferink op Reinink volgde na de middelbare school een dansopleiding aan de toenmalige Rotterdamse Dansacademie (nu Codarts) en behaalde later haar doctoraal in zowel Nederlandse Taal- en Letterkunde als Klinische Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is psychotherapeut, supervisor en docent. Zen, poëzie en dans zijn de drie pijlers in haar leven. Haar gedichten waren eerder te zien op tentoonstellingen voor beeldende kunst en fotografie, verschenen in Pandora, Meander en in twee bloemlezingen van uitgeverij Gopher.
Alja Spaan sprak met haar.

foto (c) Lia Kok

In je profiel bij een eerdere Meanderpublicatie staat een prachtige omschrijving: ‘in mijn poëzie een ruimte kunnen bieden waarbinnen mensen, dieren en dingen vrij kunnen bestaan in hun kwetsbaarheid, vergankelijkheid en verbondenheid.’
Als we ons tot mensen beperken, wat heb jij met mensen?
Ik word en werd van jongs af aan geraakt door de kwetsbaarheid van ieder mens en door dat wat vaak onder de oppervlakte verborgen blijft. In mij leeft sterk het besef dat in een vingerknip alles in een leven anders kan zijn of kan zijn verdwenen. Vandaaruit voel ik compassie met anderen; het is ook een besef dat verbindt.
Deze omschrijving van mijn werk kwam voort uit de behoefte aan een kader, een richtlijn, om niet te verdwalen in het immense poëticale landschap.

In je betaald werk ben je ook bezig met het kwetsbare in de mens. Wil je nooit daaraan ontsnappen? Is er iets (een bepaalde ruimte of omgeving) waarin je je terugtrekt?
Waaraan ik vooral graag wil ontsnappen is een donkerte die ik in me draag, maar dat kan alleen door de reis erdoorheen te maken. Door de jaren heen wordt het beetje bij beetje wel lichter.
Het dag in, dag uit er zijn voor mensen die ernstig zijn beschadigd door wat ze hebben meegemaakt, vraagt natuurlijk nogal wat. Maar er is ook een andere kant: ik heb veel geleerd van de mensen met wie ik werkte en ben me steeds meer gaan richten op de kwaliteiten die ik in hen zag. Daarnaast is het zo belangrijk door je houding vertrouwen te geven, vertrouwen dat vaak volledig verdwenen is. Zodat iemand in staat is te doen wat Beckett zo mooi verwoordt: ‘I can’t go on, I’ll go on.’ Mensen dat zien doen, daardoor kan ik erg worden geraakt.
Wat me in donkere tijden helpt is me verbonden te voelen met dat wat dit kleine zelf overstijgt, het opgaan in iets groters. Dat kan de vorm aannemen van een samenzijn met familie of vrienden, maar ook van een overgave aan schoonheid, kunst, de natuur of het ervaren van een innerlijke stilte door meditatie.

Je begon met schrijven door een bevriende dichter, beeldend kunstenaar, componist en zenleraar, Alvaro Cardona-Hine. Wat trok je zo aan in het schrijven?
Ik ontmoette Alvaro toen hij een poëzieworkshop over Rilke gaf in een zencentrum. In de pauze vroeg ik hem of ik zijn eigen werk mocht lezen. Hij lachte, overhandigde me een exemplaar van zijn bundel en zei tot mijn verbazing ‘Nu zijn we vrienden’. Later vertelde hij altijd benieuwd te zijn naar hoe het universum beslist wie je ontmoet en hoe dingen verlopen. Het bleek dat hij maar één exemplaar van zijn eigen werk bij zich had, niemand had ernaar gevraagd, alleen ik.  Vanaf dat moment groeide er een jarenlange vriendschap, tot hij op 28 augustus 2016 stierf.  Alvaro heeft zowel mijn leven als schrijven diepgaand beïnvloed. Hij liet me zien hoe gelaagd het bewustzijn is, hoe je je kunt bevrijden van conventies en hoe je door te schrijven alles in je leven kunt transformeren: ‘All doubts, all regrets, all despair, all losses, all exhaustion, all experiences – they are your teachers, your soul singing, your essence.’ Ook benadrukte hij vertrouwen te hebben in het schrijfproces: ‘Trust yourself , without gain or loss in it.’ Sommige van zijn uitspraken zijn een leidraad in mijn leven en schrijven gebleven.

Ook het Zen-gebeuren deelde je met eerdergenoemde vriend. Hoe belangrijk is het Zen-zijn?
Ik hield me, voor ik Alvaro ontmoette, al langere tijd bezig met zenmeditatie.
En nu komen we denk ik op een heikel terrein: iedereen heeft allerlei ideeën over ‘zen-zijn’, het is een beetje een hype of wordt juist als ‘zweverig’ afgedaan.
Volgens mij bestaat er geen ‘zen-zijn’, alleen een zo volledig mogelijk aandachtig aanwezig zijn in ieder moment van je leven dat zich van moment tot moment ontvouwt en verandert en waarin er geen vastomlijnd ‘zelf’ bestaat.  Tegelijkertijd speelt dit zich af in een open, grondeloze ruimte, voorbij woorden. Mijn ervaring is dat je daar tijdens een langere meditatieretraite mee in contact kan komen. Vanuit die verstilde, open ruimte kunnen beelden en/of ervaringen ontstaan, die ik soms gebruik in een gedicht.

Zijn er andere voorbeelden geweest?
Vele! Toen ik een cursus gedichten schrijven volgde bij de Schrijversvakschool besloot ik na de eerste les te stoppen omdat we startten met het analyseren van gedichten.  Intuïtief wist ik dat ik daar niet op mijn plek was, ik voelde dat ik iets anders nodig had. De tweede les stroomde ik in bij Elma van Haren, die een totaal andere aanpak had, oorspronkelijk, associatief, verrassend, tegelijkertijd heeft zij een ongekend scherpe blik waar het de kwaliteit en tekortkomingen van een gedicht betreft. Ik heb veel van haar geleerd en ook van de anderen in onze poëziegroep.
Verder houd ik heel veel van het werk van Tomas Tranströmer. In zijn werk verbindt hij bewuste en onderbewuste werkelijkheid, fascinerend. Daarnaast spreekt er een grote bewogenheid en solidariteit uit zijn poëzie:
‘Ieder mens een halfopen deur
leidend naar een kamer voor allen’.

Wat de Nederlandse poëzie betreft: naast de klassiekers zijn er heel veel boeiende hedendaagse dichters, maar ik zou niet kunnen zeggen wie er een uitgesproken voorbeeld voor me was of is. Recent raakten het werk van Peter Verhelst, J.V. Neylen en Kreek Daey Ouwens me. En natuurlijk vormt het werk van verschillende dichters in Meander een bron van inspiratie.

Groeide je op met poëzie?
Op mijn 10e troffen de regels ’Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen/ ach wij vinden waar wij staren niets bestendigs hier beneên’ me, ze bleven me bij. Achteraf blijken ze van Rhijnvis Feith, geschreven in 1805. Op de middelbare school maakte ‘Het uur u’ van Martinus Nijhoff een diepe indruk. Ik begon gedichten te lezen, te schrijven en bracht denk ik de poëzie in huis. Maar de dans nam het over, daarin kon ik iets tot expressie brengen dat aan woorden voorbijging. Ik wilde naar de Rotterdamse Dansacademie (het huidige Codarts), waar mijn ouders niet blij mee waren, maar het lukte te worden toegelaten. Ik denk dat later, toen ik niet meer danste, de poëzie als vanzelf weer meer ruimte nam.

In je poëzie zit ook iets ongrijpbaars, is dat misschien een ingebouwde veiligheid?
Een gedicht zie ik als een co-creatie tussen dichter en lezer. Als lezer heb ik altijd de behoefte gevoeld aan ruimte voor eigen associaties, wanneer een gedicht te expliciet is boeit het me minder. In mijn schrijven creëer ik daarom ruimte, waardoor een bepaalde ongrijpbaarheid kan ontstaan. En misschien heb je gelijk, vind ik het soms ook wel veilig zo.

Schrijf je voor jezelf of voor de ander?
Zoals waarschijnlijk veel dichters, probeer ik een vorm te vinden voor iets in mij dat tot uitdrukking gebracht wil worden. Tijdens het schrijven ben ik vooral geconcentreerd op wat zich aandient. Later, wanneer ik meer afstand heb genomen van een gedicht, herschrijf ik.  Als het gedicht daarna kan worden gelezen is de cirkel rond.
Ik schrijf ‘s ochtends het best, dan is mijn geest het meest ontvankelijk, nog niet belemmerd door alle beslommeringen van de dag.

Hoe belangrijk is het je als dichter in de wereld thuis te voelen? En in de literaire wereld?
Wat ik heb geleerd is dat me ‘thuis’ voelen, niet iets is waar ik naar op zoek kan gaan.
Niet iets of iemand die ergens op me wacht en me dan met open armen welkom heet. Niet het gedroomde thuis van een verlaten kind, waar ik lang naar op zoek ben geweest.
Wat het voor mij wel is: het creëren of ervaren van verbondenheid, met mensen, dieren, bomen, planten of dingen of die me raken. Daardoor kan ik me thuis gaan voelen.

 

Straks vouwt de winter zich over alles heen

Soms blijven we ergens dromen
rouw heeft geen veren
en loden schoenen
stikt de hemel grijs

op Black Friday
vroeg ik me af waarom
paniek, terwijl ik de as van mijn ouders
met een trechter in de stenen vogel goot
en dacht aan de leegte die vorm was
in mijn handen

een meeuw schikt zijn veren
op het gezonmaaide veld
van de dood
ik kijk naar vandaag
als naar iemand waarvan ik de naam ben vergeten
de horizon een dove glimlach

de dag hinkt verder
overal de schittering
van dingen
die ik ooit kan zien.
Hoogwater

I.
Er groeien takken in haar huis, lange kale takken, vaalgrijze lucht. Het moment waarop de zon
doorbreekt trekt zij haar handschoenen uit en eet een appel. De tijd is een raam waarin een
kind met haar rode puntmuts zwaait. Wolken drijven over, zoals gemis, voorbijgaand en hevig
aanwezig.

II.
Waarom vertelt hij dat niet aan mij? Het gordijn is beige en rafelt aan de onderkant. Zij
luistert iedere middag naar de radio. Tussen hen in stroomt de Dinkel. Zij maakte een jas van
parachute, hij deelde pamfletten uit. Vijfenzestig jaar later haalt hij alle draden los en klimt
naar boven, een magere, gebogen man.
Doorgang

in een park
beweegt de onderaardse liefde
naar het daglicht
waar ik blijf draaien
om een gestorven moeder
als om een ster die je niet ziet

de geblakerde kamer spint
deuren openen, deuren sluiten
de dag begint te genezen
ik kruip uit het web, mijn moeder lacht
de dood wordt een vrouw
in wie het donker kantelt.
Geplaatst in Interviews.