Interview Marjolijn van Heemstra

het schrijven is de basis van alles wat ik doe

door Monique Wilmer-Leegwater

 

foto: Bianca Sistermans

 

Marjolijn van Heemstra (1981) is schrijver, dichter, theatermaker, columnist, soms journalist en het liefst een combinatie van dat alles. Ze werd geboren in Amsterdam en groeide op in Rotterdam. Ze is afgestudeerd als religiewetenschapper en tussen de colleges door bij het Frascati Theater het podium op gestapt. In 2010 debuteerde ze bij Thomas Rap met de dichtbundel Als Mozes had doorgevraagd, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs. In 2014 verscheen Meer hoef dan voet, gedichten, bij De Bezige Bij. In 2020 de gedichtenbundel Reistijd, bedtijd, ijstijd bij Das Mag.
Haar roman En we noemen hem (Das Mag, 2017) won de BNG-bank Literatuurprijs en stond op de shortlist voor de Libris Literatuurprijs. Sinds 2019 is Van Heemstra correspondent Ruimtevaart voor De Correspondent. Voor In lichtjaren heeft niemand haast (De Correspondent, 2021) boog ze zich over de vraag hoe de ruimte ons kan helpen om anders naar de aarde te kijken. Het boek werd uitgeroepen tot non-fictie boek van het jaar. In al haar werk probeert Van Heemstra in heldere, soepele taal antwoord te krijgen op grote vragen: hoe krijgen we meer ruimte in ons leven, op welke manier werkt geschiedenis door in het heden en wat is de oorsprong van de mens en het leven?

Vanaf 27 januari 2022 is Marjolijn van Heemstra Stadsdichter. Ze is de tweede vrouwelijke Stadsdichter van Amsterdam.

 

HET MIDDEN

Ik ken het verhaal van kiem tot kroon, van de eerste symbiose
tot de rechtopstaande borst, de dieren en hun echo in ons, bewaard
in vliezen, stukken vacht en hitte rond het hart. Ik ken het verhaal
van aap tot mens, ik weet hoe ik mij tot homo sapiens strekte, rusteloos

en haaks op de aarde. Maar iets in mij staat nooit rechtop, glijdt
onverschillig weg van warmte, ondanks fakkels en vuurstenen ruik ik
naar vocht, in mijn borst geen drift maar de klop van een spons.
Ik ben twee kanten op geworden, naar voren en naar achter
getuimeld in de tijd,

in mij sleept een slak zich prehistorisch kalm
terug naar het begin en een mens zich naar het einde; geen van beide
is in zicht, alleen dit tijdelijke midden.

uit: Meer hoef dan Voet (De Bezige Bij, 2014)

Hoe ben je voor het eerst met poëzie in aanraking gekomen? Zijn er daarbij mensen die je geïnspireerd hebben tot het schrijven van poëzie?
Het waren het voor mij de spoken word avonden die me de moed gaven om te gaan schrijven en optreden. Daar kwamen vaak ook buitenlandse artiesten. Meestal Engels of Amerikaans. Ik kan me bijvoorbeeld Lemn Sissay nog goed herinneren, dat werk vond ik zo grappig en ontroerend. Al met al kan ik wel zeggen dat vooral de programmeurs van die avonden van grote betekenis waren, Babs Gons, Philip Powell, Sasha Dees, Neske Beks; zij gaven mij voor het eerst een podium.

Je bent onlangs verkozen tot stadsdichter van Amsterdam. Veel bekende namen zijn je hierin voorgegaan. Hoe wil je jezelf onderscheiden tijdens dit stadsdichterschap?
Me onderscheiden van mijn voorgangers is niet mijn doel maar dat zal vanzelf gebeuren omdat we allemaal een verschillende stijl en verschillende fascinaties hebben. Ik vind het leuk om als stadsdichter niet alleen over het menselijke leven in Amsterdam te schrijven maar ook over de dieren, de bomen, het water. Er wordt van je verwacht dat je af en toe reageert op de actualiteit, maar daarnaast wil ik graag ruimte geven aan het leven dat ondertussen door blijft gaan.

Een van de stadsdichters van Antwerpen, Ruth Lasters, heeft haar stadsdichterschap neergelegd nadat een gedicht van haar werd afgekeurd, hoe kijk jij daar tegenaan? Vind je dat een stadsdichter alle vrijheid moet hebben?
Ik was zeer verbaasd over de afkeuring van dat gedicht. Het thema wat zij daarin aanraakt is juist zo ontzettend belangrijk. Het is idioot om een gedicht af te keuren omdat het niet verbindend of positief genoeg zou zijn. Ik kan me wel voorstellen dat de stad niet zit te wachten op haatdragende stadsgedichten maar volgens mij is dat nog niet voorgekomen in de geschiedenis van het stadsdichterschap.

Is er iets waar je in het bijzonder aandacht aan wilt schenken tijdens de periode van jouw stadsdichterschap?
Ik wil volgend jaar als stadsdichter het Amsterdam Dark Festival opzetten, een tegenhanger van Amsterdam Light Festival. Met zoveel stadsgenoten de duisternis in, een herwaardering van het donker in een van de meest lichtvervuilde steden ter wereld. Een nachtwandeling is ook een soort poëzie, weet ik na zo’n honderd nachtwandelingen.

Zijn er thema’s die steeds terugkomen in je werk, en zo ja, ben je je daar altijd bewust van geweest?
Het valt me vooral op dat ik maar weinig over de liefde dicht, terwijl dat door de eeuwen (millennia) heen toch een favoriet thema is geweest. Eigenlijk gaat mijn werk vaak over bijzaken, over vreemde gedachtekronkels of glimwormen. Wel heb ik sinds ik moeder ben best veel geschreven over geboorte en leven met kinderen.

Ik las dat je ook theatermaker en journalist bent, dat lijken me drukke en intensieve banen. Hoe vind (of maak) je de tijd om te schrijven en hoe werkt het schrijfproces bij jou?
Ik schrijf snel en het schrijven is de basis van alles wat ik doe, het theater dat ik maak ontstaat altijd vanuit taal. Ik wissel de verschillende disciplines een beetje af in periodes die redelijk afgebakend zijn. Volgens mij is dat niet zo uitzonderlijk, ik ken veel schrijvers/makers die zich in verschillende velden bewegen. Het is een kwestie van schakelen en daar ben ik toevallig goed in.

Je bent ook afgestudeerd in godsdienstwetenschappen. Werkt deze studie nog door in je werk? Hoe ben je uiteindelijk tot het schrijven van gedichten gekomen?
Mijn fascinatie voor het grote, ongrijpbare echoot eigenlijk altijd wel door in mijn werk. Vanuit die fascinatie ging ik ook godsdienstwetenschappen studeren. Dichten deed ik eigenlijk al sinds ik heel jong was, maar pas toen ik begon met studeren kwam ik in de scene van de spoken word avonden terecht en begon ik zelf op avonden nu en dan iets voor te lezen. De sfeer op die avonden was heel bemoedigend en het publiek was altijd fijn, het voelde veilig, ik durfde daar te denken dat ik het misschien wel kon.

Eind 2020 kwam er na 6 jaar weer een dichtbundel van jou uit Reistijd, bedtijd, ijstijd. Wat was de inspiratiebron voor deze bundel?
Niet echt één bron. Het was gewoon een periode waarin ik weer veel zin had om gedichten te schrijven, het thema – tijd, in de breedste zin – kwam eigenlijk na afloop, toen er een soort lijn in de gedichten leek te zitten.

WIEGELIEDJE

DIT SCHREEUWEN IS VAN VOOR MIJN TIJD, DIT
BELACHELIJKE LIED VAN BOZE KLINKERS, VAN
VIEZE LAKENS EN OUD VERRAAD, NIEMAND
HEEFT MIJ DIT GELEERD MAAR IK ZING HET EN
IK SLA EEN BOZE MAAT ERBIJ VOOR DE JASSEN
ROND MIJN BED, VOOR DE MAN DIE DAAR
MAAR STAAT, VOOR HET LIJF DAT SPLIJT; DE TOTALE
EENZAAMHEID VAN DEZE TWEEWORDING,
IN DE KAMER – NAAST DE APPARATEN – STAAT
DE VINGER VAN DE DOOD, IK ZING HEM WOEDEND
VAN MIJ WEG, HIJ LOOPT RUSTIG NAAR MIJN BED,
BUIGT EN LEGT EEN SCHADUW OVER HET LAKEN – ZIJN VORM
IS ZO BEKEND, SINDS DE PREHISTORIE STAAT HIJ
IN DIT GIGANTISCHE MOMENT, TUSSEN
BLOED EN WEEËN, STILTE EN HET SCHREEUWEN
VAN NIEUW BESTAAN, IK KIJK HEM AAN
EN VOEL DE RAND EN VOEL DE KOU EN ZIE DE HORDES
VROUWEN DIE IN DIT BED TEN ONDER GINGEN,
ZE BRULLEN EEN LIED VOOR HARTSLAG, VOOR ZOMERS,
VOOR VERTES, KANSEN, DROMEN, TERWIJL HET WATER
UIT MIJ STROOMT, DE VINGER TIKT MIJ AAN, ZIJN AFDRUK
KRIJG IK NIET MEER WEG, EEN GRIJS LANGWERPIG TEKEN,
EEN GEDENKSTEEN VOOR WIE IN DIT BED
MEEGEZOGEN WERD DOOR DE HONGERIGE EB,
MASSAWATERGRAF, OP GEEN SLAGVELD WERD
ZOVEEL GEMOORD, NIEMAND HEEFT ZE OOIT HERDACHT

uit: Reistijd, bedtijd, ijstijd (Das Mag, 2020)
ONDERKANT

‘Dit is je onderkant.’ De arts tekende een cirkel, een rechte lijn
er dwars doorheen. Op de lijn twee korte krassen: de hechting
die sinds het bevallen met een zenuw in de knoop ligt. Schets
nummer acht van het rampgebied tussen mijn benen: soms
een slordige ovaal, soms de vorm van een citroen, eentje lijkt
op een granaat, het pijnpunt altijd een kruis, als de vindplaats
op een schatkaart. Kringen, strepen, kluwen weefsel in potlood,
stift, blauwe pen – de onderkant, je onderkant, een woord dat
waarschijnlijk in een handboek voor geschonden moeders staat
of in het naslagwerk van medische missers. En wat, vraag ik
een arts, is dan mijn bovenkant? Hij hoort me niet, prikt
met zijn vingers in het weefsel – Ontspan, anders loop je straks mank.
Oorlogslandschap, grapt een fysiotherapeut, een bekkenbodem-
specialist denkt aan vaginisme, een gynaecoloog zet onverwachts
een spuit verdoving in de zenuw, is verbaasd dat het niet helpt.
Iemand zegt: geboorte heeft soms een lange nasleep maar een kind
blijft een wonder en ik hoor voor het eerst de wond in dat woord.

uit: Reistijd, bedtijd, ijstijd (Das Mag, 2020)

Welk boek/welke bundel ligt erop dit moment op je nachtkastje?
The disordered cosmos van Chanda Prescod Weinstein.

Is er een gedicht waar je trots op bent (gebleven) en waarom?
Misschien toch wel ‘Als Mozes had doorgevraagd’. Het is een van mijn oudste gedichten en ook het gedicht waar ik de meeste reacties op heb gekregen door de jaren heen. Er zijn veel predikanten geweest die het in hun preek hebben opgenomen, dat vind ik een grote eer. En natuurlijk ook het gedicht Aan een ruimtevaarder omdat André Kuipers dat voordroeg in het International Space Station in 2013.

 

Geplaatst in Interviews.