LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Tomas Lieske – Brandende kevers

4 sep, 2023

‘Wat iedereen bevalt aan deze tijden verafschuw ik’

door Æde de Jong




In Brandende kevers maakt Tomas Lieske (1943) een keuze uit eigen werk. 154 gedichten hebben die selectie gehaald. In die selectie heeft recent werk de overhand, maar ook vroeg werk is goed vertegenwoordigd. Naar eigen zeggen zijn Lieskes poëziebundels te verdelen in drie groepen van drie bundels. Lieske is overduidelijk tevredener over recent werk; daarom heeft hij hier meer van opgenomen in dit verzamelde werk. Veel gedichten in De ijsgeneraals (1987), Een tijger onderweg (1989) en Grondheer (1993) bleken bij herlezing door de dichter tekort te schieten. De gedichten die Lieske wel goed genoeg vond, ondergingen vaak ingrijpende wijzigingen. Hierdoor wordt deze gedichten in feite nieuw leven ingeblazen en dient Brandende kevers minder als verzameld werk, omdat de gedichten hernomen zijn. Wie de oorspronkelijke gedichten wil lezen, kan terecht in de oorspronkelijke losse bundels.

De drie middelste bundels – Stripping & andere sterke verhalen (2002), Hoe je geliefde te herkennen (2006) en Haar nijlpaard optillen (2012) – zijn gedichten-als-sterke-verhalen. ‘Dat houdt in: geloof vóór de schampere lach klinkt, bekoring vóór het gemonkel van de archivaris.’ Als dat geen sterk verhaal is, weet ik het ook niet meer.

De drie recente bundels – Daedalea (2016), Keto Stiefcommando (2019) en Het spettert geluk (2021) – zijn een combinatie van proza, toneel en poëzie. ‘[A]lle drie hebben het decor van de Parijse armoedebuurten’. Deze recente gedichten staan op zichzelf, als ‘eilanden in het meer van Keto Stiefcommando’. Zo strikt is deze scheiding nu ook weer niet: alle gedichten in de bundel volgen elkaar op; Lieske heeft er niet voor gekozen om van elke bundel een aparte afdeling te maken. Welke gedichten in welke bundel staan, is wel te vinden in de inhoudsopgave.

De eerste gedichten doen, vooral door het gebruik van het tegenwoordig deelwoord, zo nu en dan enigszins gemaakt gedragen aan: ‘Benigwitte heren serveren. / Gouden tressen sneeuwend uniform / epauletten: de ijsgeneraals.’ of: ‘Ik, trancherende de roastbeef (…) / [W]aardig kalend kijkend in de lens’. Woordgrapjes zoals ‘verijzen’ (in het gedicht ‘Giolitti ijssalon. Kliniek’) zijn een luchtige noot in dezelfde gedichten. Elders, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Annunciatie’, dicht Lieske her en der bijna formule-achtig bondig, zoals in een scène over oude mensen die naar foto’s van zichzelf kijken: ‘(…) Men ziet zichzelf: / verliefdheid ontmaagding moederschap.’ Zelfs voor komma’s was geen plaats. Na deze staccato opsomming volgt juist weer een bloemrijke, wijdlopige strofe. Deze beheersing en registerwisselingen houden de gedichten interessant en verlenen de verzen een zekere muzikaliteit.

De thematiek van Lieskes poëzie is verrassend zwaar voor iemand die een derde van zijn oeuvre als ‘sterke verhalen’ betitelt. In het gedicht ‘Voor de zestienjarige schilder die zijn ladder te steil plaatste en op het smeedijzeren kerkhek viel’ is de lezer getuige van precies die gebeurtenis:

Je gaat de nacht in, jongen, het leven
van de dag drupt langs de spijlen tot
de nooit bereikte grond waar het een weg zoekt
omdat het zich wat schaamt. (…)

In het gedicht ‘Verkracht’ horen we ‘[e]en vrouw een meisje nog’ een storm aanroepen om haar te revancheren op degene die haar verkracht heeft. Net als een onweersbui na een tropische, benauwde dag bouwt het gedicht de spanning op tot het culmineert in dit slotakkoord: ‘(…) steek tot splinterribben / wie mij heeft aangegrepen.’ Pas dan wordt bevestigd wat er in de titel van het gedicht beweerd wordt.
Lieske weet schrijnende situaties, met gevoel voor spanningsopbouw, treffend en beeldend te verwoorden, bijvoorbeeld in ‘Stervende Pakistaan in de Rue Saint-Denis’:

Meer de kromming van de ruimte dan de materie
eerder vaart en baan dan de planeten zelf:

God is de grote ontroering in het totaal onbekende.
Moge zijn naam verheven en geheiligd worden

in deze schamele man die hij geschapen heeft
geboren heeft doen worden naar zijn wil.

Moge zijn koninkrijk erkend worden in deze straat
vol hoon, verachting, vechtpartijen om te overleven

nu zijn laatste dagen zijn geteld
weldra en spoedig.

En: wiens dagen zijn geteld?
Veel ‘sterke verhalen’ uit Stripping gaan over denkers en wetenschappers van weleer, zoals Christiaan Huygens, Copernicus en René Descartes. De héle bundel Keto Stiefcommando gaat over de kindertijd van historische figuren, zoals Julius Caesar, Hildegard van Bingen, Mozart, Lyndon B. Johnson en Francis Bacon. Zoals bij meer goede poëzie gaan de gedichten vaak over mystiek, het universum en ‘het orakel van de kindertijd’: ‘Als je zo kortbroekjong bent, dan weet je zeker / dat je eeuwig leeft, dat je het zomergeluk / zult vinden (…)’.
Hoewel deze verhalen onderhoudend zijn en soms ook zeker het auditieve verlangen van poëzie lezen bevredigen, is Lieske toch op zijn best als hij over de zwarte randen van het bestaan schrijft. Gelukkig kunnen het verhalende en het tragische goed samengaan. Zo schrijft Lieske over de kindertijd van Julius Caesar de profetische woorden: ‘De poolster van de gemorste olie en het vet moge mij leiden / als straks de bouwval van mijn innerlijk bezwijkt.’
____

Tomas Lieske (2023). Brandende kevers. 154 gedichten. Een keuze uit eigen werk. Querido, 168 blz. € 20,00. ISBN 9789021485652

     Andere berichten

Mischa Andriessen – Pieta

Mischa Andriessen – Pieta

Een piëta van vader en zoon door Æde de Jong - - Pieta is de zesde dichtbundel van Mischa Andriessen en het laatste deel van een drieluik...