‘poëzie is voor mij eerst en vooral affectief.’
door Alja Spaan
MAHLU MERTENS (1987) werd geboren in Maastricht, maar woont in Gent. Haar taal is nergens thuis: het dialect is verbasterd, het Nederlands vervlaamst, het Vlaams vreemd, maar als taalnomade verblijft ze overal graag en mag niemand of iedereen haar woorden claimen. Naast dichter is ze ook theatermaker en doctor in de literatuurwetenschap. Samen met Hanne Vandersteene vormt ze de kern van Grensgeval, een gezelschap dat interdisciplinaire voorstellingen maakt voor jong publiek. Ze schreef een proefschrift over de verbeelding van het antropoceen en werkt nu als postdoc aan de Universiteit Antwerpen. Haar debuutbundel Ik tape je een bed won in 2019 de eerste Zeef Poëzieprijs. Gedichten van haar verschenen o.a. in Het liegend konijn, Poëziekrant en Meander en in bloemlezingen zoals Zwemlessen voor later, Uit de Zeef en De grote inkijk.
In augustus verscheen je tweede bundel Brooddoosomhelzing waarvan een prachtige recensie op Meander verscheen. Herken je jezelf in ‘anekdotisch, ondubbelzinnig, desondanks heel poëtisch’?
Pfoeh, lastige vraag. In anekdotisch herken ik direct mijn achtergrond als theatermaker: ik zie overal om mij heen personages en dramatische situaties, zoals dat dan in jargon heet.
Ondubbelzinnig klinkt op het eerste oor niet als iets positiefs voor poëzie, dat toch de reputatie heeft van open te staan voor meerdere interpretaties. Toen ik de recensie de eerste keer las, struikelde ik dus over dat woord. Maar nu denk ik dat het woord misschien anders werd bedoeld en dan vind ik het wel kloppen. Als in: mijn verzen doen niet onnodig ingewikkeld.
Het is heel gemakkelijk om moeilijke dingen moeilijk uit te leggen, maar heel moeilijk om moeilijke dingen makkelijk uit te leggen. Voor mij geldt dat ook voor poëzie: het heeft de reputatie ontoegankelijk te zijn, terwijl het zo veel te bieden heeft. Ik streef er dus naar om toegankelijke, maar precieze en gelaagde poëzie te schrijven. Daarvoor speel ik met beeldspraak, onnadrukkelijk rijm, ritme, nieuwe verbindingen en daar hoort dan het adjectief poëtisch bij, denk ik.
Ik hou ook van de tegenstelling die het woord ‘desondanks’ impliceert: alsof in mijn gedichten die verschillende kenmerken samenwonen terwijl dat eigenlijk niet hoort, en toch werkt het. Of misschien wel net daarom. Dat vind ik leuk. Bugs Bunny in een vers over rouw, een PET-fles in een gedicht over gender.
De tweedeling in de bundel bevat enerzijds de heel persoonlijke gedichten, anderzijds maatschappelijke thema’s. Wat vind je makkelijker om te schrijven?
Zonder twijfel de persoonlijke gedichten. Pas op, die hebben hun eigen moeilijkheden, en er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar over het algemeen worstel ik het meeste met de meer geëngageerde gedichten. Ik wil namelijk te allen tijde vermijden dat die gedichten een soort vermomde column of betoog zijn, een pamflet dat alleen maar poëzie lijkt door de enjambementen en de bladspiegel.
Vaak vind ik eerst een beeld of een zin die resoneert. Bij Verse rouw bijvoorbeeld werd ik wakker met ‘De dag is verzakt. De ochtend hangt scheef in de scharnieren’. Vanuit dat begin ontdek ik langzaam waar het gedicht over gaat, maar die organische groeiende verzen zijn meestal persoonlijk. Een geëngageerd gedicht schrijven voelt meer als jagen: je moet actiever zoeken, geduld hebben en dan nog kan het tegenvallen.
Ik wil ook niet dat het lyrisch ik ‘the moral high ground’ inneemt en zich boven de lezer stelt, dus is het zoeken naar een persoonlijke ingang. ‘The personal is political’ zoals de feministen tijdens de tweede golf zeiden: idealiter roep je via iets heel persoonlijks een veel grotere wereld op.
De recensent noemt je ‘vaardig en bekwaam’ maar stelt ook dat een mening of een boodschap het effectiefst in proza wordt gegeven. Ligt daar nog een uitdaging in voor je als dichter?
Het gedicht waar hij naar verwijst, Traag geweld, komt denk ik niet toevallig uit de cyclus over klimaatverandering. Volgens wetenschappers is dat probleem zo groot en zo ongrijpbaar dat het tot een crisis van de verbeelding leidt. Het gedicht thematiseert hoe de Westerse mens – wie dat ook precies is – het als een ver-van-mijn-bed show ziet, terwijl we in realiteit al elke dag de gevolgen van klimaatveranderingen ervaren. Het gaat dus over het gebrek aan emotie. Terwijl poëzie voor mij eerst en vooral affectief is. Ik vond het belangrijk om de zoektocht te delen naar hoe we in godsnaam dat gebrek aan voelen in poëzie kunnen vangen, zelfs al was ik niet 100% tevreden over het gedicht.
Dat gezegd zijnde, denk ik niet dat ik met mijn gedichten een mening of een boodschap wil overbrengen. Daarvoor zijn andere literatuurvormen inderdaad meer – of makkelijker – geschikt. Ik vind poëzie die dat doet ook meestal niet zo interessant.
Geëngageerde poëzie draait voor mij meer om de poging om een gevoel, of een affectieve verhouding tot een maatschappelijk thema of probleem in woorden te vangen. Dat kan ook verontwaardiging, woede of verdriet zijn, maar dat is iets anders dan een mening of boodschap. Dat linkt terug naar waarom maatschappelijk gedichten moeilijker te schrijven zijn: voor je het weet zijn ze wel prekerig of zwaaien ze met een vingertje.
Heb je als dichter een maatschappelijke functie?
Vandaag denk ik ‘nee’, gisteren dacht ik ‘ja’ en morgen denk ik wellicht ‘misschien’. Als je bedenkt hoeveel mensen (of hoe weinig) vandaag nog regelmatig poëzie lezen, lijkt het wel heel onnozel om je tot dat genre te wenden als je maatschappelijke impact wil hebben. Anderzijds is het een vorm die zo veel ervaring heeft met ‘multitudes’, met meerlagigheid, met betekenis die openstaat. In een samenleving waarin polarisatie floreert en nuance platgebulldozerd wordt, is dat misschien meer dan ooit nodig.
Het hangt er natuurlijk ook vanaf wat je verstaat onder maatschappelijke functie. Betekent dat dat je als dichter expliciet geëngageerde gedichten moet schrijven, of is het verwoorden van gevoelens ook een maatschappelijke functie? Kan het ook gaan om oefeningen in empathie, in het binnensluipen in andermans ervaringen?
In de Reactor staat bij de bespreking van Ik tape je een bed dat de wereld ‘allesbehalve volmaakt’ is. Kan poëzie helpen?
Dat hoop ik. Het is alleen jammer dat mensen vaak bang zijn voor poëzie. In Olijven moet je leren lezen zegt Ellen Deckwitz het heel raak, vind ik. Haar antwoord op de vraag ‘waarom dichters niet gewoon zeggen wat ze bedoelen’ is: ‘omdat ze precies zeggen wat ze bedoelen’ en gewone woorden daarin vaak tekortschieten.
Mensen houden niet van poëzie, maar als woorden tekortschieten, grijpen ze er wel naar. In haar proefschrift Poëzie buiten het boek toont Kila van der Starre hoe mensen op allerlei manieren en momenten poëzie beleven. En dat geldt voor bijna iedereen.
Een van de grootste complimenten die ik kreeg was van iemand die verbaasd zei dat ze niet van poëzie hield, maar dat ze mijn bundel wel erg mooi vond. Wat dat betreft wil ik wel graag een marketeer of missionaris voor de poëzie zijn.
–
Het bed in de kamer ontbreekt, al weg
of hier nooit geweest. Op de muur een wereldkaart
van vochtvlekken, grenzen onzichtbaar.
–
Het matras op de grond is een eiland,
zij een aangespoelde drenkeling.
Dwars door de kamer doorsnijdt de waslijn
’s nachts haar dromen. Niets is hier om te blijven:
–
In een pot zonder augurken staat een boeket
met snelwegbermbloemen. Vier verschillende stoelen
vergaderen tijdelijk rond de eettafel. Haar moedertaal
–
hoort hier niet, ze houdt de woorden in haar binnenzak.
Tussen deze geleende muren leeft ze in het klad.
De recensent stelt dat ook in de persoonlijke gedichten ‘dingen het verhaal vertellen’ zoals ‘lievelingsschoenen’. Bouw je daarmee je eigen veiligheid in?
Nee. Integendeel zelfs. In een echt gesprek is het misschien heel kwetsbaar om expliciet te benoemen wat je voelt, maar in een gedicht valt dat plat. Ik maak niet een omweg via dingen om afstand te creëren, maar zoek een ingang om via die dingen dieper te graven, preciezer over te brengen waar het gedicht over gaat. Net die afstandelijkheid geeft de lezer de mogelijkheid om in het gedicht te kruipen. Net door die zakelijkheid kan het extra hard binnenkomen.
Ik ben ook theatermaker, en op de toneelschool hoorden we vaak: ‘Jij hoeft niets te voelen, het publiek moet iets voelen.’ Een personage dat verschrikkelijk staat te huilen op scène raakt meestal minder dan een personage dat zich staat te verbijten, zich sterk houdt. Zo is het voor mij ook met poëzie: als een gedicht al overloopt van emotie, voel ik er zelf vaak weinig bij. Dan erger ik me zelfs: mag ik alsjeblieft nog zelf bepalen wat dit met me doet?
Voor mij roept een beeld van een kamer die om iemand heen slobbert (Gat) of een fiets die verloren tegen de muur staat (Stalen omhelzing) veel preciezer een gevoel van eenzaamheid op dan wanneer je het gevoel zelf beschrijft. Het zijn overigens niet alleen de dingen die het verhaal vertellen, ook de zintuigen spelen een belangrijke rol. In Terugspoelboterhammen bijvoorbeeld, beleeft het poëtische ik gevoelens van verlies via geur, smaak en gehoor.
–
Je stem die losgeschoten was,
zoals een heliumballon in de lucht, het touwtje bijna onzichtbaar.
Een korrelige VHS-tape. Buitenbeeldgelach.
De camera draait 180 graden.
Toen pas bond ik de stem vast
aan de klankkast van jouw opgenomen lijf.
–
Je geur die wegreed.
Een groen licht. Een lange jas met daarin een onbelangrijke man.
Hij trapte zijn fiets op gang, stoof weg met je parfum
dat exact in die beweging ophield naar jou te ruiken.
Daar stond ik, stil staal tussen benen,
omringd door een vlaag aftershave, plots banaal.
–
Je smaak die tussen boterhammen plakte.
Een pakje zware Van Nelle. Ik besmeer brood
met herinneringen. Draadjes shag als tuinkers
over de kaas gedrapeerd: hopeloze poging
om jouw brooddoosomhelzing terug te halen.
Voel je bij persoonlijke dingen wel eens gêne of aarzeling?
Zo lang ik gêne voel, weet ik dat ik nog niet de juiste vorm heb gevonden. Voor mij hangt dat samen met het onderscheid tussen persoonlijk en privé: als iets privé is, krijg je als lezer of toeschouwer een beetje een ongemakkelijk gevoel. Het schuurt tegen therapie aan. Het wordt ‘cringe’, zeg maar. Als het persoonlijk is, dan kan het nog steeds heel intiem voelen, maar het gedicht staat wel open voor anderen. Het gevoel is geboetseerd en heeft vorm gekregen, letterlijk. In Ik tape je een bed staat bijvoorbeeld het gedicht Nest dat over een miskraam gaat. Dat is een heel lichamelijk gedicht, dat emoties oproept door het beeld van een nest over het beeld van een lijf te leggen: ‘Ik braakte een naakte vogel uit mijn vagina […] tussen mijn benen/ sporen van verrotte bladeren.’ Een vrouw kwam naar mij toe en zei: ‘ik probeer al de hele tijd aan mijn man uit te leggen hoe het voelde, en dat lukte maar niet. Nu kan ik hem dit gedicht laten lezen.’
Tegen welke stereotiepe rolpatronen van vrouwen loop je vooral aan?
Dat is een grote vraag. Maar als ik het enkel op dichten betrek: van vrouwen wordt sneller gezegd dat ze emotioneel zijn, of zelfs sentimenteel en pathetisch. Naar mijn gevoel komen mannelijke dichters dan ook veel meer weg met emotionele gedichten dan vrouwen.
Zelf hou ik daar niet van, maar misschien komt dat dus ook door die stereotype beeldvorming. Opnieuw speelt ook mijn theaterachtergrond mee: je werkt daar voortdurend met subtekst en als je personage ‘Ik hou van je’ zegt, betekent het bijna nooit ‘Ik hou van je’. Dat is saai; rode rozen rood kleuren.
Hoe dan ook heeft die afkeer en die theaterachtergrond mijn stijl beïnvloedt: ik zoek naar beelden, naar zintuiglijkheid, naar humor en situaties die de bundel een gevoelslading geven.
–
Vanavond is de dresscode wit
in deze maatschappij. Morgen ook.
Met een kleur kom je het feest niet binnen.
–
Als je wil, mag je mijn vel wel aan.
Van kop tot teen, inclusief haar,
zolang je belooft vanuit je heupen te lopen.
Leg mijn lijf maar in de zetel.
–
Je zult je kleiner moeten maken
dan je bent, schouderbladen tegen elkaar,
ruggengraat gekromd, ietsje door de knieën,
maar je zult vrijer kunnen ademen
–
als je een politieagent passeert.
Probeer gerust een keer zwart te rijden,
maar oefen op je dommeblondjesblik.
Bouwvakkers zijn een ander verhaal.
misschien heeft je zus dat al verteld?
–
Blikken zullen anders over je heen dwalen
vertragen bij borsten, bij billen,
opzichtig je decolleté in glippen.
–
Veiligheidswaarschuwing: niet na zonsondergang gebruiken
in een donker park, korte rokjes op eigen risico.
Is er een dichter die als voorbeeld voor je dient?
Ik weet niet of voorbeeld het goede woord is, want dat impliceert dat je de stijl van diegene zou willen overnemen of imiteren. Er zijn wel een heleboel dichters die me inspireren, maar vaak eerder vanwege een bepaald aspect of gedicht en niet in totaliteit. Tanja Verhelst en Esther Naomi Perquin bijvoorbeeld vanwege het absurde of surrealistische dat soms in hun gedichten opduikt, maar altijd zeer raak en betekenisvol is. Kae Tempest en Lizette Ma Neza omdat ze hun poëzie zo prachtig met hun stem en lichaam de wereld in slingeren. Als ik Carol Anne Duffy lees, krijg ik zin om te bewegen, zelf de verzen te performen: het is zó swingend en jazzy en ritmisch. Ze verstaat ook de kunst om werken te schrijven die aards en no-nonsense zijn en zich tegelijkertijd verhouden tot de literaire traditie. Pim Lammers, Joke van Leeuwen en Ted van Lieshout schrijven zalige verzen die ook nog eens voor kinderen werken. Maud Vanhauwaert vanwege de manier waarop ze poëzie uit de habitat van het blad haalt en in de wereld weeft. Moya De Feyter vanwege haar zoektocht naar manieren om klimaatveranderingen en alternatieve toekomsten te verbeelden zonder te vervallen in cynisme. Charles Ducal weet me altijd weer te vangen met gedichten die mysterieus en mythisch zijn en zonder dat ik ze volledig snap toch volledig juist voelen. Ik kan zo nog wel een eind doorgaan. Van Roel Richelieu van Londersele heb ik technisch veel geleerd. Wat al die mensen verbindt, denk ik, is dat hun poëzie origineel, fris en uitdagend is zonder moeilijk te doen. Ik ben een beetje allergisch voor gedichten die slim willen lijken of die jou het gevoel geven dat je dom bent.
Wat was het eerste gedicht dat je bij bleef?
Ik denk Een zee heeft geen zeer van Frank Eerhart. Als kind vond ik het heel cool dat het helemaal uit eenlettergrepige woorden bestond. En de klinkerrijm in die eerste regel! Maar ik had ook een poster van Joke van Leeuwens Ozo heppie op mijn kamer. Dat ken ik nog altijd van buiten, al is Vier manieren om op iemand te wachten mijn favoriete gedicht van haar. En met Zoals van Judith Herzberg deed ik auditie op de toneelschool. ‘Zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg’ is, als ik mij niet vergis, de eindzin.
Waar ben je nu mee bezig?
Mijn volgende bundel wil ik graag voor kinderen schrijven, dus ik ben nu vooral heel veel jeugdpoëzie aan het lezen, om te kijken waar het verschil in zit en hoe ik dat zou aanpakken.
–




