Jan Clement was docent Woord aan het conservatorium Gent en aan verschillende Academies. Hij publiceerde een achttal poëziebundels en in de voornaamste literaire tijdschriften. Hij leeft teruggetrokken in de Vlaamse Ardennen. Jan publiceerde eerder op Meander.
foto © Jan Iseltwald
Uit BERG
–
–
De berg en het kind
–
De berg keek naar het kind
Het kind vroeg Wie ben je
Ik ben Berg zei de berg
–
Mijn stenen
rollen stuiteren stampen het ritme stappen
met roffelende trom de berg af klappen hun handen
klepperend tegen elkaar zie ons roepen ze hoor ons
rapper dan rap trappelen we op de rotsen wij roepen
alle donders wakker tuimelen halsoverkop
omlaag kletskletterend in de schetterende zon
schaterend elkaar wegketsend stompend steigerend
stormen wij als een horde wilde paarden in galop
naar het dal rennen naar ons bed in de bergbeek
waar we over elkaar struikelen
een laatste keer stuiptrekken
en stilvallen
–
De stenen
liggen te stralen in het water dat langs en
over hen heen sijpelt tot ze glad zijn
en glanzen als de huid van kinderen
ze schuiven stil slissend verder
in de schittering van de maan
prevelend neuriënd hun gebeden
in de plooien van de nacht
ach moedertje maan wieg ons
wieg ons zachtjes vlieg ons
stenen vlinders naar waar
de sterren stille staan
–
–
–
–
Alpha
–
De sneeuw kent de steen
De steen kent het gras
Het gras schrijft zich
langs de bergrug
omhoog naar de steen
–
Van de steen
naar het gras
rolt het licht
langs de bergrug
omlaag in het meer
–
In het meer
spiegelt de vogel
zijn vlucht
–
Doorheen het water
slepen de wolken
hun slippen
–
Groener dan blauw
blauwer dan groen
de stilte
–
De stilte raakt
de sterren aan
de sterren de sneeuw
–
–
De berg en het kind
–
De berg keek naar het kind
Het kind vroeg Wie ben je
Ik ben Berg zei de berg
–
Mijn stenen
rollen stuiteren stampen het ritme stappen
met roffelende trom de berg af klappen hun handen
klepperend tegen elkaar zie ons roepen ze hoor ons
rapper dan rap trappelen we op de rotsen wij roepen
alle donders wakker tuimelen halsoverkop
omlaag kletskletterend in de schetterende zon
schaterend elkaar wegketsend stompend steigerend
stormen wij als een horde wilde paarden in galop
naar het dal rennen naar ons bed in de bergbeek
waar we over elkaar struikelen
een laatste keer stuiptrekken
en stilvallen
–
De stenen
liggen te stralen in het water dat langs en
over hen heen sijpelt tot ze glad zijn
en glanzen als de huid van kinderen
ze schuiven stil slissend verder
in de schittering van de maan
prevelend neuriënd hun gebeden
in de plooien van de nacht
ach moedertje maan wieg ons
wieg ons zachtjes vlieg ons
stenen vlinders naar waar
de sterren stille staan
–
–
–
–
Alpha
–
De sneeuw kent de steen
De steen kent het gras
Het gras schrijft zich
langs de bergrug
omhoog naar de steen
–
Van de steen
naar het gras
rolt het licht
langs de bergrug
omlaag in het meer
–
In het meer
spiegelt de vogel
zijn vlucht
–
Doorheen het water
slepen de wolken
hun slippen
–
Groener dan blauw
blauwer dan groen
de stilte
–
De stilte raakt
de sterren aan
de sterren de sneeuw
Uit KLEINE KRAAI
–
–
Kleine kraai
–
Zijn vleugel hangt wat scheef
Hij staat in het gras. Alleen
–
Hij kijkt naar de lucht
Pikt het zwart uit zijn veren
–
Kijkt naar de lucht. Krijst
Hipt weg op één been
–
–
–
–
Vakantie – Een jonge God (Voor W)
–
–
Op slag
–
lag hij midden op de weg
midden in de middag
in de zon de zomerzon
–
lag een jongen
lag een fiets
–
Eén slag
–
en midden op de weg
midden in de middag
werd hij schaduw
–
Werd een jongen
zon in de zomerzon
–
–
†
–
–
Kleine kraai
–
Zijn vleugel hangt wat scheef
Hij staat in het gras. Alleen
–
Hij kijkt naar de lucht
Pikt het zwart uit zijn veren
–
Kijkt naar de lucht. Krijst
Hipt weg op één been
–
–
–
–
Vakantie – Een jonge God (Voor W)
–
–
Op slag
–
lag hij midden op de weg
midden in de middag
in de zon de zomerzon
–
lag een jongen
lag een fiets
–
Eén slag
–
en midden op de weg
midden in de middag
werd hij schaduw
–
Werd een jongen
zon in de zomerzon
–
–
†

