‘Schrijven is voor mij altijd al een manier geweest om alles wat er in mezelf en om me heen gebeurt voor mezelf helder te krijgen.’
door Alja Spaan
Miel Vanstreels (1951) werd geboren in Godsheide en woont sinds zijn negentiende in Maastricht. Meer dan veertig jaar werkte hij in de ouderenzorg, een wereld die zijn blik blijvend heeft gevormd: aandacht voor het kleine, oog voor wat verdwijnt en wat blijft. Zijn poëzie leest als een dagboek. Of hij schrijft over ouder worden en dood, over vriendschap en liefde, over menselijke verhoudingen, de wereld in beroering of zijn tochten als wielertoerist: hij noteert wat zich aandient, helder en zonder opsmuk maar wel op zo’n manier dat het particuliere een onverwachte universaliteit krijgt. Zijn gedichten zijn momentopnames van een leven, maar ook herkenningspunten voor wie zelf probeert te leven met aandacht, mildheid en een vleugje ironie.
Toen ik je vroeg voor een interview, zei je ‘Ah, laten we maar proberen, een interview met een versjesmaker!’ Beschouw je jezelf niet als dichter?
Het heeft inderdaad te maken met het soort poëzie dat ik schrijf. Mijn taalgebruik is alledaags, ik maak geen (of nauwelijks) gebruik van metaforen, de lezer hoeft bij mij niet te zoeken naar subtiel verborgen verwijzingen of poëtische experimenten. In vergelijking met door mij zeer gewaardeerde, meer talige dichters als Frans Budé en Paul Rigolle voel ik me soms inderdaad een versjesmaker.
Komt dat ook door je fietsgedichten?
Misschien. Tussen 1970 en 1996 schreef en publiceerde ik gedichten met als terugkerende thema’s: ouderdom en dood, relaties tussen mensen, de maatschappij waarin we leven. De behoefte aan, de noodzaak tot het schrijven van poëzie leek voorbij. Enkele jaren later begon ik de blog Fietsvarianten, waar ik nog altijd verslag uitbreng van mijn tochten als wielertoerist met altijd tegenwind. De gemasseerde rijmpjes op die blog werden opgepikt door andere blogs en fiets- en wielertijdschriften. Op wieleravonden was het makkelijk scoren met rijmpjes als Niets is zo pijnlijk / voor mijn ziel / als een stadsfietser / aan mijn wiel of Wat deed Miel V / op de Redoute / hij stapte af / en ging te voet. Ik kreeg de smaak te pakken en gebruikte de fiets steeds meer als kapstok om ook andere facetten van het leven de revue te laten passeren.
–
Mijn vader leert me
hoe ik uit de wind
moet blijven
met welk verzet
ik naar boven
rijd,
–
ik trap de tranen
uit mijn ogen
om zijn wiel
te houden
–
ik wil dit fietsen
nooit meer
kwijt
–
uit Godsheide, Uitgeverij Holland, De Windroos, 2009
In het overzicht op Wikipedia staat dat je je sinds kort weer waagt aan ‘serieuze gedichten.’ Is erkenning voor dat genre meer terecht?
Met mijn fiets- en wielergedichten kwam ik in een heel ander circuit van tijdschriften, bloemlezingen, social media en optredens terecht. Frits Spits vroeg me een gedicht over Tom Dumoulin voor te lezen in De taalstaat, Erik Dijkstra las een ander Dumolin-gedicht van me voor in de talkshow M, ik schreef een aantal jaren themagedichten voor het magazine Fietssport dat ieder kwartaal bij 75.000 NTFU-leden in de bus valt, mijn baiku (bike-haiku) I feel cheated / the older I get the harder / the wind blows kreeg op een Amerikaanse facebookpagina binnen een dag meer dan 1500 likes en werd wereldwijd gedeeld. Dat bereik ik, vrees ik, nooit met mijn gewone, mijn algemene, mijn serieuze gedichten. Wat heet dus erkenning!
Ondertussen is er een volgende bundel uitgekomen: Aan de vooravond. In de recensie van Marc Bruynseraede op Meander spreekt hij van een balans opmaken, maar het schrijven over de dood is niet nieuw voor je. De dood is levender dan ooit, stelt hij. Kun je dit toelichten?
Op mijn negentiende begon ik niet alleen een opleiding in de verpleging, ik ging ook gedichten schrijven. Eenmaal werkzaam in de ouderenzorg werden ouderdom en dood steeds terugkerende thema’s in mijn poëzie. Enkele bundels zijn er helemaal aan gewijd. Inmiddels ben ik op een leeftijd aanbeland dat ik het over mijn eigen ouder worden (en dat van mijn generatiegenoten) moet hebben. Eigenlijk intrigeert de dood me al vanaf mijn zevende. Daar werd ik me pas eind jaren tachtig van de vorige eeuw van bewust. De VPRO zond de serie Een schitterend ongeluk uit. Wim Kayzer probeerde erachter te komen of en in welke mate gebeurtenissen in de kinderjaren bepalend waren geweest voor de latere beroepskeuze van de geïnterviewden (zoals Oliver Sacks, Stephan Jay Gould, Stephen Toulmin, Daniel C. Dennett). Dat zette me aan het denken. Op 9 maart 1958, ik was net geen zeven, fietste mijn moeder met mij achterop van Godsheide naar het 15 km verderop gelegen Stevoort. Daar lag mijn grootmoeder van vaderszijde op sterven. Ik was één van haar petekinderen. Mijn oma lag in een kleine achterkamer in een groot bed tussen hagelwitte lakens. In mijn herinnering houdt ze mijn hand minutenlang vast en kijkt me daarbij heel indringend aan. Ik hoef mijn ogen maar te sluiten om haar krijtwitte gezicht weer te zien. We waren nog geen uur thuis toen een buurvrouw mijn moeder kwam halen. Er was telefoon uit Stevoort, mijn oma was overleden.
–
Een beetje ondankbaar is het
wel:
–
je veegt het klamme zweet
van zijn steeds kouder
wordend voorhoofd,
–
je laat zijn blauwe hand
jouw hand
stevig vasthouden,
–
je kijkt naar zijn laatste
schokken,
–
je luistert naar zijn laatste
gereutel
–
en niet lang daarna
verschijnt er
–
zonder enige uitleg
van zijn kant
–
zo’n gelukzalige rust
op zijn gezicht
–
dat je haast
moet gaan geloven
–
dat hij in één of ander
paradijs is aangeland
–
uit Fragmenten, uitgeverij Facet, 1988
Ook je schrijfstijl, aldus Bruynseraede, is onveranderd, nog even sober en direct als in je debuut. Is dat het kenmerk van een ware Vanstreels?
Ik vrees dat ik niet anders kan, in de regel wil ik het liefst met zo weinig mogelijk woorden zoveel mogelijk zeggen.
Heb je een favoriete bundel van jezelf?
Elke bundel is mij om uiteenlopende redenen dierbaar. Kijkend naar de vorige vraag spant Verder geen bijzonderheden wel de kroon wat minimalisme betreft. De bundel bevat 26 portretjes van bewoners van de (verzorgingshuis)afdeling waar ik hoofd was. Niet meer dan twintig woorden per portretje, dat was het streven. Zoals in Mevrouw F: Ze neemt verdrietig / de schade van de / aanslag op // wat werd lam / gelegd, wat / werd uitgewist // hoeveel vermogen / rest haar nog? Of in Juffrouw P: Close-up van haar / gezicht: // zo weerloos, zo / kwetsbaar // zo mooi / van droefheid // dat je het verval / haast dankbaar wordt.
Hoe moeilijk is het om het persoonlijke te ontstijgen en de lezer vast te houden?
Het persoonlijke probeer ik zo te formuleren dat het een gedeelde menselijke ervaring wordt. Het particuliere moet iets universeels krijgen. Is dat moeilijk, ik weet het niet, ik schrijf puur op gevoel. Een goeie vriend – Jan Huynen – die veel poëzie leest, krijgt een nieuw gedicht als eerste onder ogen. Hij is erg kritisch en ik vertrouw (bijna) blindelings op zijn oordeel.
Kun je, mag je, over alles schrijven?
Als je politiek getinte onderwerpen bedoelt, ze komen in vrijwel al mijn bundels voor. Ook in Aan de vooravond. Een van die gedichten gaat over joden- en moslimhaat. Een tijd geleden plaatste een e-zine een versje van me onder de titel Ongerijmd: God, Jahweh en Allah / maken er zwijgend / een potje van, // dat eeuwig bloed / vergieten in hun / naam // zou dat in de Bijbel, / de Thora en de Koran / staan. Normaal wordt een nieuw bericht aangekondigd op hun facebookpagina, maar dat gebeurde in dit geval niet. Ik weet niet of dat een bewuste keuze was, maar ik kan me voorstellen dat ze zich een hoop gedoe wilden besparen. Maar, antwoordend op je vraag, ja, ik mag in principe over alles schrijven.
Verlies, niet alleen in de dood maar ook van omstandigheden, veiligheid, oude zekerheden als het geloof, went dat ooit? Is het schrijven je daarbij behulpzaam?
Schrijven is voor mij altijd al een manier geweest om alles wat er in mezelf en om me heen gebeurt voor mezelf helder te krijgen. Een maand geleden stierven in een week tijd onverwacht twee (van de vijf) leeftijdgenoten die ik al twintig jaar maandelijks tref in een kroeg om de wereld en het leven door te nemen. Ik ‘verwerk’ zoiets in en met een gedicht.
In de bespreking op BookMundo zeg je zelf ‘het is goed om op tijd te zeggen wat nog gezegd moet worden.’ Dat kunnen we ook als advies beschouwen, zoals je een ruzie oplost alvorens te gaan slapen en bij een vertrek nog even de ander te bedanken. Ben je in deze gedachte opgevoed?
Door mijn werk in de ouderenzorg heb ik het stervensproces van talloos veel ouderen (en alles er omheen) van heel nabij mogen meemaken. Dan leer je wat er in relaties beter kan, wat je zelf maar beter gezegd en geregeld kunt hebben vóór het zover is.
Stond er poëzie in de huiskamer vroeger? Heb je nu veel poëzie in huis?
Bij ons thuis werd er geen poëzie gelezen, maar ik zat zes jaar op kostschool bij de paters van de H. Geest. In het voorlaatste jaar van de Humaniora – de poësis! – kregen we Nederlands van een bevlogen pater. Gedichten dienden niet alleen gelezen maar ook uit het hoofd geleerd en voorgedragen te worden. Gedichten van Guido Gezelle uiteraard maar ook van dichters als Herman Gorter en Paul van Ostaijen. Of ik veel poëzie in huis heb? Niet overdreven veel, dit in tegenstelling tot die goeie vriend waar ik het over had.
Is het lastig – bij het ouder worden – aansluiting te houden met collega’s? Of zet je dan een tandje bij? Merk je iets van leeftijdsdiscriminatie?
In een ver verleden nam ik actief deel aan ‘het literaire leven’. De behoefte om bij een groep te horen, om overal in den lande gedichten voor te lezen tijdens poëziemanifestaties heb ik niet. Als ik al een keer gevraagd word, heb ik toevallig steevast wat anders te doen! Zo nu en dan geef ik wel acte de présence als wielerdichter. En vanwege de blog De wielergedichten, die ik beheer, heb ik voornamelijk via email contact met dichters die zich aan fiets- of wielergedichten wagen.
In de beginjaren maakte je volop gebruik van literaire tijdschriften als Hollands Maandblad en het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Een aantal tijdschriften uit je begintijd zijn er niet meer. Wat is de waarde van een literair tijdschrift tegenwoordig?
Begin jaren zeventig van de vorige eeuw, toen ik gedichten begon te schrijven, verschenen er minstens dertig literaire tijdschriften waar je je verzen naartoe kon sturen in de hoop dat ze werden gepubliceerd. Ik vergeleek de status van die tijdschriften met wielerkoersen: monumenten, klassiekers, eendagswedstrijden met meer of minder faam en kermiskoersen. Het lukte me een aantal keren gepubliceerd te worden in een monument (De Gids, Hollands Maandblad, Nieuw Vlaams Tijdschrift, Dietsche Warande & Belfort), en ik was al heel blij als ik een positieve reactie kreeg van klassiekers en eendagswedstrijden (zoals Heibel, Deus ex Machina, Kreatief, Koebel, Kuispunt-Sumier, Appel, Restant etc). Dat de meeste literaire tijdschriften sinds de eeuwwisseling verdwenen zijn merk ik nu ik me weer focus op algemene gedichten. Het is een stuk moeilijker om mijn gedichten gepubliceerd te krijgen. Gelukkig is De Schaal van Dighter (e-zine) mijn poëzie gunstig gezind. Ook op Meander kon ik al een paar keer terecht. En vorig jaar ontdekte ik Versindaba (’n Webwerf vir die Afrikaanse digkuns). Ze plaatsen geregeld gedichten van me, in het Nederlands en in het Afrikaans. Ik vertaal mijn gedichten in het Afrikaans met de hulp van drie AI-chatbots (die ik tegen elkaar uitspeel), twee vertaalsites en de kritische blik van de eindredacteur van Versindaba. Soms klinkt een gedicht in het Afrikaans veel mooier dan in het Nederlands.
–
Lank gelede reeds het sy
noodgedwonge die stilte
omhels,
–
so nou en dan soek sy
die warmte van geliefdes
op
–
wetend dat haar kop
weer dae nodig het
om tot rus te kom,
–
sy treur nie sy kla nie
sy wou net
–
sy wou
–
Gepubliceerd op Versindaba, april 2026
Hoe waardevol is een papieren bundel nog? Is het voortbestaan online niet bestendiger?
Wie echt van poëzie houdt wil uiteraard het liefst een mooi uitgegeven bundel in handen kunnen houden. Wat de tijdschriften betreft, ik vermoed dat de literaire e-zines meer lezers hebben dan de papieren bladen abonnees. Vraag is alleen: hoe lang blijven ze online? Wat gebeurt er als ze crashen, als de beheerders de stekker eruit trekken? Papieren bundels en tijdschriften kunnen meestal rekenen op een tweede leven in antiquariaten en ‘boekwinkeltjes’.
Wat voor uitdagingen, naast het beklimmen van de Mont Ventoux, zie je nog?
De Ventoux heb ik inmiddels beklommen, op eigen kracht en zonder pauzeren! Gezien mijn leeftijd (75), mijn (gebrek aan) talent en mijn mankementen mag ik niet klagen. Concrete uitdagingen heb ik momenteel niet, hoewel, nog een tijdje gezond blijven, door het Mergelland fietsen met mijn lief, boeken die ertoe doen lezen, mooie tentoonstellingen bezoeken, een beetje aardig zijn voor familie en vrienden, wekelijks op vijf kleindochters passen, de wereld af en toe verblijden (verbeteren?) met een goed gedicht: mijn dagen vliegen voorbij!

