Van kleurrijke papegaaiduiker tot bleke leegte (*)

Ook recensent Marc Bruynseraede hield zich bezig met de Antwerpse kwestie rond het stadsdichterschap. ‘De dichters mogen dan schrijven wat ze willen – dààr is de Schepen formeel over – als ze maar aan de leiband lopen. De burgers die dachten dat de dichters VRIJ waren te schrijven wat ze wilden, die hebben het verkeerd begrepen.’

Lees verder

Op een muis. Sint als pr-deskundige

Als Sinterklaassurprise hebben we vandaag een tweede publicatie, een column van Bram Mieras over een light verse gedicht van Kees Stip die hier jongleert met de uitdrukking ‘de berg heeft een muis gebaard’. ‘Plezierdichten’ zei Drs. P, daarmee verwijzend naar de lol die zowel de dichters hadden in het maken ervan als hun publiek in het lezen. Wij gunnen u een extra pleziertje.

Lees verder

Wat Maakt Een Gedicht Goed? (70)

Een serie die wekelijks een antwoord probeert te geven op de vraag Wat Maakt Een Gedicht Goed? Kun je zo’n vraag wel beantwoorden? En toch gaan we het iedereen vragen. Het zeventigste antwoord komt van Pom Wolff.

Lees verder

Leven in Rome

Jan Loogman was in Rome en zag wat Hester Knibbe ooit opschreef: ‘Beelden van Huisraad, Golfplaat, Afvoerbuis: een tempel van god Onooglijkheid’. Wie niet waagt, komt niet verder in deze stad die behalve van rommel ook bruist van lawaai. Is het wel lawaai, vroeg hij zich af. Hollanders zijn gewoon niet ervaren in het spel van geluid.

Lees verder

Dandy-isme en esthetiek als verzet in de poëzie

De afkeer van het burgerlijke, het concrete, eenduidige, was vanaf de jaren vijftig in de Vlaamse poëzie al aangesneden door schrijvers als Paul Snoek en Hugo Claus. In de jaren zestig werden zij opgevolgd door Nic van Bruggen en Patrick Conrad met een poëzie muzikaal van factuur, op woordklank gericht en meer of minder expressionistisch. Pieter Sierdsma komt met prachtige voorbeelden.

Lees verder