Gedichten

Ron Hoeks

Onze eigen Big Rip

Laat mij toch afgezaagd hier liggen,
verworpen uit een tuin die ooit bruiste,
zie jij niet dat het uitspansel
nooit meer zwart is?

Ik aarzel je uitgestoken hand
te aanvaarden, mij nog éénmaal
op te richten, maar vooruit,

laat ons nog een paar tellen ruggelings
naar het einde van de schepping kijken,
dertien miljard jaar is aan het verdampen –

misschien dat ik nog heel even mee
kijk tot de zon uitgaat

Lees verder

Gedichten

Joris Miedema

Ophoepelen

je hoorde de stilte aan mijn vader knagen
net zo lang tot hij een gat werd
met verjaardagen moest je altijd
oppassen dat je niet in hem
stapte

je wist precies waar hij was
want als er ergens een deur
open stond dan tochtte hij

moeder had een hoepel om hem
heen gebonden
zodat we konden zien waar
hij niet meer was

Lees verder

Gedichten

Jeanine Hoedemakers

Arme stilte

geluid tekent haar
schetst haar zo zij zich
uit haar rust getild voelt

en wij zeggen sorry
meer dan sorry

want wij waren het
wij gooiden de ramen en deuren
van de taal open en trillen nu na
in onze sponningen

sorry weer

we zetten haar terug in haar schoenen
wrijven haar de enkels
strelen haar het hoofd
geven klopjes op de rug van haar hand
met de goedheid van schuld

en zij zegt amen

zo gebedziek is ze
dat we haar het toonbeeld
noemen van geloof

of van geduld
of van aanvaarden

en we roemen haar landing
haar geruisloze landing
waarin enkel het piepen
van iets piepends nog klinkt

Lees verder

Gedichten

Daan de Ligt

Haagse gaten

wat zijn dat toch voor vreemde ronde gaten
als holle ogen in een bleek gelaat
gevuld met zand, maar leeg en desolaat
welk wezen zou die sporen achterlaten

ze intrigeren mij in hoge mate
zijn het de stempels van een duivels kwaad
het werk van een ontsnapte psychopaat
die iets begroef in maanverlichte straten

de gaten wachten, vullen tijd met zwijgen
de leegte nam bezit van hun bestaan
wat komen zou, is nimmer aangekomen

eens zouden nieuwe stammen hier ontstijgen
de telgen van wat ooit is heengegaan
het wachten is op de beloofde bomen

Lees verder

Gedichten

Thomas Möhlmann

Nooit stil

Als een zebrapad dat van geen ophouden weet

een uitnodiging zonder datum of plaats alsof wanneer
hij stilstaat ik ook stil zal staan maar hij staat nooit stil

een grote omtrekkende beweging een stad zonder centrum
een opeenhoping van centra een verzamelpunt voor rukwinden

een genadeloze machine van mogelijkheden een voetganger
omringd door stoeptegels stoplichten op groen wachtende auto’s

voorrangverlenende fietskoeriers en nergens een bankje
om eens genoeglijk op in te storten alsof er kortom

iets moois aan staat te komen en iedereen gewoon de goede kant
op moet we zullen winnen als we maar willen en vooral alsof

ik iets voor hem in petto heb een zinnige vraag
een verhelderend antwoord het begin van een zin.

Lees verder