Gedichten

Eric van Hoof

Het Plein der Leegte I (Grebbelinie)

Er huizen woorden in deze steen,
maar geen mens, geen dier die hier
alleen loopt te zoeken naar een naam.

Er speelt wind op deze vlakte.
Dit stuk afstervend beton ingeklemd tussen
muren die groen uitgeslagen kalmte voelen.

Er zijn planten die kleven, kleine dieren
die daarvan leven en kinderen die beven
bij de verhalen van kogelgaten.

Een persoon rent, hapt vissen van stilte,
die smachten naar vocht, als sluizen
die wachten op water tussen liniedijken.

Water, ja water vormt dit om
tot een Grebbelinie,
tot een plein van leegte.

Maar bovenal is er stilte, sssst,
de wind waait als de wereld draait
en de linie onveranderd zijn schouders ophaalt.

‘Het maakt niet uit,
het geeft echt niet,
ook dit zal vergaan.’

Als het regent stroomt het water
en de vissen uit mijn mond
kunnen dan ademen.

Lees verder

Gedichten

Jurre van den Berg

VOOR HET VERTREK

Er is een lijst gemaakt met plaatsen
en tijden van aankomst.

Als we de kinderen een lepel
jenever hebben gegeven
kan er gesproken worden

over wat in diepe zakken
te bewaren, wat we achterlaten
waar onze pijngrenzen liggen.

We wegen de bagage
vijlen onze nagels
poetsen tanden zacht

vragen de cartograaf de kaart
nog één maal uit te leggen

terwijl we onze vingers vlijen
aan het voeteneinde
van hoogtelijnen.

Lees verder

Gedichten

Steven Mortier

ademtocht

stapvoets drijf ik
asfaltopwaarts – altijd asfaltopwaarts

ik ben een watergeest.
iets dat vloeit althans.
(haperend, maar toch)

wist u dat licht kan stollen?
we noemen het schaduw maar eigenlijk
is dat dus gestold licht.

het is een uitstekend bouwmateriaal,
het beste. overdag hangt Sint-Anna
met haar oksels in krukken. ze staat –
maar niet erg vast. ’s nachts draagt ze
een harnas. is ze een oorlogsbodem.
steeds paraat – nimmer uitvarend.

aan haar voeten langs mij heen
buitelen bultruggen. u moet weten
dat bultruggen zich uitsluitend
bij regen in de stad vertonen.
snel, geruisloos en altijd per fiets
zeldzaam zijn ze niet, maar
je moet ze opmerken.

mij zien ze niet. ik ben immers
een watergeest – gehuld in
gestold licht. al zwemmen ze door
me heen – recht door me heen –
dan nog merken ze niets van mij.

heeft u dat wel eens meegemaakt?
dat iemand door u heen zwemt?
recht door u heen?

ik ook niet. het voelt – vermoed ik –
als stappen op een trede
die er niet is.

de kortste weg in de stad is een hoekige
vogelvlucht van kerk naar kerk.
vuurtorens zijn het. niet zoals in melige
preken van gerestaureerde pastoors.
meer in de betekenis van oriëntatiepunt
voor duiven. ergens moet er een verband zijn
tussen belijden en beschijten. afdwalen, dolen,
nog zo van die woorden waar ze graag
confituur van maken.

in de stad kan je enkel in jezelf verdwalen.
het is als de tafel zetten. je gaat iets halen
in de keuken maar je bent vergeten wat
dus keer je terug om te zien wat ontbreekt.

dat is de kern van het dwalen:
inventariseren wat ontbreekt.
daar leent de stad zich uitstekend voor.

volg de weg asfaltopwaarts – altijd
asfaltopwaarts. bel aan bij het huis
waarin de stad schemert. schuif bij.
de tafel is maar half gedekt
maar laat dat geen bezwaar zijn.

Lees verder

Gedichten

Chrétien Breukers

Bezoek aan het geboortehuis van C. B.

Hier werd mijn jonge vriend geboren!
Met schroom deed ik de voordeur van het
slot. Het huis stond leeg. Rollend pluisstof.
Zonder woorden was toen mijn gebed.

Om mij heen werden de muren broos.

Buitenlucht scheen er doorheen. Stemmen
fluisterden mij verzen in. Klaagtaal
over tijd die te beginnen stond:

eeuwen waar mijn vriend geen weet van had.

Lees verder

Gedichten

Mariano Shifman

SPINOZA OBJECIÓN A BERKELEY

Sobre tibios pilares de cemento
bajo el sol encantado de septiembre
un casal cumple el rito de la especie.

Lo contemplo sin ánimo idealista,
mi visión no construye seres nuevos:
las palomas existen por sí mismas.

Cuando el tiempo convierta el celo en crías;
cuando tiemblen las ramas con el brío
y mis ojos lejanos nada vean,

no habrá de verlas Dios para que sean

Dios es el celo, el huevo y el nido.

SPINOZA BEZWAAR TEGEN BERKELEY

Op lauwwarme pilaren van cement
onder de bekoorde zon van september
voltrekt een paar de rite van de soort.

Zonder idealistische bedoeling
kijk ik het aan, mijn visie schept geen nieuwe
wezens: de duiven bestaan voor zichzelf.

Als de tijd de paardrang in jongen omzet;
als de takken met elan zullen trillen
en mijn verschoten ogen niets meer zien,

hoeft God ze niet te zien om ze te doen bestaan

God is de paardrang, het ei en het nest.

Vertaling Fa Claes

Lees verder