Jonathan Griffioen – De (t)huiszittergod

In ‘De (t)huiszittergod’ van Jonathan Griffioen handelt het om de binnenwereld van iemand die gek is. Vanwege de geloofwaardigheid had de poëzie wellicht ruiger en rauwer gemogen, vindt Kamiel Choi. ‘De poëzie klinkt belangeloos Dat kan frustreren; de lezer zoekt tevergeefs naar betekenis en schakelt ten einde raad over op een asemische lezing. Wat dan overblijft is een enorme woordenvloed die een enkel mooi fragment op het strand van onze verbeelding spoelt.’

Lees verder

Wat Maakt Een Gedicht Goed? (35)

Een nieuwe serie die wekelijks een antwoord probeert te geven op de vraag Wat Maakt Een Gedicht Goed? Kun je zo’n vraag wel beantwoorden? De medewerkers van Meander zijn achtereenvolgens serieus, speels, poëtisch, humoristisch, streng, onderhoudend, kort, (iets) te lang, verlegen, duidelijk, zeker, geërgerd, motiverend, vluchtig of vragend. Het vijfendertigste antwoord komt van Wim Platvoet.

Lees verder

Johannes van der Sluis – Profane verlichting

‘Profane verlichting’, de derde bundel van Johannes van der Sluis, heeft een surrealistisch karakter. Hans Puper vindt de bundel niet sterk. ‘Er klinkt een echo door van Rotterdamse dichters als Cornelis Vaandrager, Frans Vogel en Jules Deelder, maar het ongeremde ontbreekt, ook bij zijn surrealisme.’ Bovendien zijn de gedichten volstrekt eenvormig, wat eentonigheid in de hand werkt.

Lees verder

Wat daar nu ligt

Jan Loogman over de macht van poëzie en onze eigen onmacht. Misschien is het zoals Herman de Coninck schreef: ‘Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt: /mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt / verdrietje, en het helpt niet; / zoals je een hand op haar hete voorhoofdje / legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,/ en het helpt niet:// zo helpt poëzie’.

Lees verder