LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Vergeten dichters (VII)

28 nov, 2023

 

Zijn deze dichters vergeten? Kent u ze nog? Ligt er misschien eentje op het nachtkastje en blijft zij favoriet? Of helpen wij u op de naam te komen van dat glansrijke gedicht dat u ooit uit het hoofd kon? Is dit een aanleiding de boekenkast om te keren of op uw knieën op zolder in die dozen te kijken? Hoe dan ook, veel leesplezier!

 

Geranium

Vanuit de slechtzittende
schoolbank in een geur van stof
oud hout en pis, onder hoge ramen
in bladderend kozijn: het rood
van de geranium.

Mijn grootmoeder zwoegend boven
een tobbe in de tuin, en naast
het keurig tegelpad in rij, in het rood
waarvan mijn opa op vergaderingen
sprak: geraniums.

Thuis hadden wij er een
die nooit bloeien wilde omdat
iedereen zijn peuken doofde
in de pot. O god, de triestheid
van zijn harig-groene, knokelige
steel!

Geranium, prachtige bloem
die niet mooi is, wijn
van de kruidenier, kip
tussen de vogels, sieraad
van alles wat arm en goedkoop is.

© Hans Vlek
uit Zwart op Wit, Querido, Amsterdam, 1970, herdruk 2013
opgenomen in Voor wie dit leest, proza en poëzie van 1950-tot heden, samengesteld door Kees Fens, Salamander reeks, Querido 1959


Johannes Gerardus Albertus (Hans) Vlek (Amsterdam, 2 juli 1947 – ‘s-Hertogenbosch, 15 juli 2016) was een Nederlands dichter. Hij ontving in 1968 zowel de Reina Prinsen Geerligsprijs als de Jan Campert-prijs voor zijn bundel Een warm hemd voor de winter.
De dichter was in 2001 te zien in het televisieprogramma Het uur van de wolf.
Met Zwart op wit uit 1970, een herdruk van zijn tot dan verschenen bundels, sluit Vlek de realistische periode af die in het teken staat van de afrekening met traditionele (romantische) poëzie-opvattingen. zoek je in je schaduw op papier. verkies je het woord op het wit. en zijn laatste zilveren haren telt.
Het regende in de stad,
toen kwam er wat
muziek van straatmuzikanten,
die bliezen naar de kanten.

Toen voelde ik de leugen
van vrolijkheid in ’t geheugen,
die men als kind eens heeft,
te dansen omdat men leeft.

Herman Gorter
uit Verzamelde werken, Van Dishoeck-Querido, 1948
opgenomen in bloemlezing Dromen met open ogen, samengesteld door Adriaan Morriën,
De Kern, A’dam 1959

In Meander werd in
Klassieker 77 het gedicht Zie je, ik hou van je
Klassieker 221 het gedicht De lente – ik sta midden in haar –
besproken.


Herman Gorter (Wormerveer, 26 november 1864 – Sint-Joost-ten-Node, 15 september 1927) was een Nederlandse dichter en radencommunist. Ook was hij medeoprichter van de Sociaal-Democratische Partij, de latere CPN. Hij is vooral bekend geworden door zijn gedicht van epische lengte Mei (1889). De openingsregel van dit gedicht, Een nieuwe lente en een nieuw geluid is een staande uitdrukking geworden.
Gorter studeerde klassieke talen aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Hij onderging de invloed van de schrijver Multatuli, die zich in zijn boek Max Havelaar afzette tegen het koloniaal bestuur van Nederland. Hij promoveerde in 1889 met zijn thesis over het gebruik van metaforen in het werk van Aeschylus (een eerdere thesis over poëtische inspiratie was afgewezen).
Onder invloed van Willem Kloos schreef hij Mei, waarvan hij de voltooide gedeelten telkens voorlas aan componist/vriend Alphons Diepenbrock. De eerste zang van Mei verscheen in mei 1889 in een nummer van De Nieuwe Gids. In het voorjaar van datzelfde jaar verscheen het gedicht in boekvorm. Kloos was diep onder de indruk van dit debuut.
Gorter liet zich duidelijk inspireren door de Engelse romantische dichter John Keats. Hij gebruikte dezelfde metriek als het gedicht Endymion van Keats. Hij wijdde tevens een hoofdstuk aan Keats in De groote dichters, een literaire studie gebaseerd op historisch-materialistische beginselen.
In 1890 verscheen Verzen, een bundel met sensitivistische poëzie. Deze bundel volgde een radicale nieuwe koers onder invloed van de criticus en romanschrijver Lodewijk van Deyssel, die opriep tot een vorm van invidualisme zonder compromis. Deze bundel was een poging om deze visie te realiseren. Deze gedichten ontlokten Willem Kloos de beroemde uitspraak: “Kunst moet zijn de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie”. In deze gedichten laat Gorter de normale syntaxis van het Nederlands los en probeert hij met radicale neologismen en ontwrichte zinsstructuren de zintuiglijke waarneming van het aanschouwde zo precies mogelijk weer te geven. Het contrast met het solipsisme van Kloos, zijn voorgaande mentor, kon niet groter zijn.
Al gauw wendde Gorter zich af van de poëtische principes van de Beweging van Tachtig en ging hij meer geëngageerde gedichten schrijven met een sterke socialistische inslag. Aan het begin van de jaren negentig van de negentiende eeuw kwam Gorter tot de conclusie dat zijn experimenten uitliepen op taalverbrokkeling en onverstaanbaarheid. Dit luidde de grote ommekeer in zijn leven in: hij ging in 1892, mogelijk onder de invloed van de auteur Albert Verwey, de werken van de zeventiende-eeuwse wijsgeer Benedictus de Spinoza opnieuw bestuderen en schreef spinozistische gedichten, met regels als “God is geheel en wij zijn zijne deelen”. Hij publiceerde in 1895 een letterlijke vertaling van Spinoza’s hoofdwerk de Ethica uit het Latijn in het Nederlands, de eerste Nederlandse vertaling sinds de Nagelate schriften van B.d.S. van 1677. Toch miste hij een verbinding met de sociale en politieke omwentelingen van zijn tijd.
In 1896 ging hij het werk van de Duitse filosoof en econoom Karl Marx bestuderen. Gorter werd een overtuigd aanhanger van het communisme. Deze nieuwe levenshouding klonk ook door in zijn werk. Zo verwijderde hij zich steeds verder van de oorspronkelijke idealen van de Tachtigers, waar hij eens het schoolvoorbeeld van was. Hij sloot zich in 1897 aan bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en zijn poëzie bezong nu de triomf van de revolutie en een optimistische, glorievolle toekomst.
De poëzie van Gorter had een invloed op zijn tijdgenoot Jan Hendrik Leopold en op de dichters uit de jaren 1950 zoals Lucebert, die, in navolging van Gorter, hun eigen didactische revolutie van de literatuur wilden beginnen. Gorter werd ook wel een luminist genoemd.
Herman Gorter wordt gerekend tot de grootste dichters in de Nederlandse taal. Hij begon met het bezingen van de liefde en eindigde met het woord “liefde” in het laatste gedicht dat hij schreef vlak voor zijn dood.

Feest der Poëzie
heeft aan aantal voorstellingen over De Tachtigers.
zelden gelukt het…

Zelden gelukt het te schrijven
op een zo simpele wijze
dat de woorden als kinderen
ademen in het
bed van de taal
onder de dekmantel van het gedicht
Soms slapen ze allemaal
als rozen
soms richt
een zich op
kleine slapeloze
en vraagt om iets onbestaanbaars
Men geeft hem een pop, een betekenis
een pose
iets ongehoords
Men haast zich het licht aan te steken
en blijft op de rand
van de taal zitten lezen
woord voor woord
hand in hand.

© Guillaume van der Graft
opgenomen in bloemlezing Dromen met open ogen, samengesteld door Adriaan Morriën, De Kern, A’dam 1959

Op Meander werd in Klassieker 111 het gedicht Vogels en Vissen besproken en in Klassieker 103 Brood op de Wereld.


Wilhelmus (Willem) Barnard (Rotterdam, 15 augustus 1920 – Utrecht, 21 november 2010) was een Nederlands theoloog, schrijver en (vooral) dichter die korte tijd Letteren studeerde in Leiden (1938-1939). Hij publiceerde ook onder het pseudoniem Guillaume van der Graft. Zijn zoon Benno Barnard is eveneens dichter.
Barnard was altijd meer dichter en theoloog dan gemeentepredikant. Er staan talrijke dichtbundels op zijn naam alsook publicaties met teksten voortgekomen uit een liturgische praktijk van jaren. Hij geldt als een van de belangrijkste dichters zowel wat strofische psalmvertalingen betreft als nieuwe gezangen en vertalingen van anderstalige gezangen in het Liedboek voor de Kerken. Hieraan werkte hij jarenlang in de groep dichters van Het landvolk. Dit was met Ad den Besten, Muus Jacobse, J.W.Schulte Nordholt en Jan Wit.
In 1954 kreeg hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, in 1957 de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam en in 2010 C.C.S. Crone-prijs.Met Praten tegen langzaam water (De Prom, 2007) maakte Van der Graft de balans op van zijn gehele oeuvre, uit de periode 1942-2006.

 

De gedichten werden in de spelling van de betreffende bundel of bloemlezing overgenomen.

foto © Wouter van der Hoeven, boekhandel Scheltema, Amsterdam, oktober 2018

     Andere berichten

Kinderpoëzie (III)

Kinderpoëzie (III)

‘Waarom leest iemand geen gedichten? Omdat iedereen (en die iedereen heeft nooit gedichten gelezen) zegt dat gedichten moeilijk zijn, dat...

Kinderpoëzie (II)

Kinderpoëzie (II)

‘Waarom leest iemand geen gedichten? Omdat iedereen (en die iedereen heeft nooit gedichten gelezen) zegt dat gedichten moeilijk zijn, dat...

Joost Hontelez

Joost Hontelez is liefhebber van de Franse taal en cultuur en de natuur van overal. Begin jaren ’90 won hij de Gouden Pennenvrucht tijdens...