Columns
Willem Johan van der Molen
Karel Wasch ontmoette Willem Johan van der Molen een paar keer op vernissages en andere presentaties. “Van der Molen was steeds druk in de weer met zijn tijdschriftje Kortheidshalve. Hij bleef mopperen op de Vijftigers en had weinig humor.” De getormenteerde dichter schreef in de debuutbundel van onze columnist ‘Van een boom leren wat geduld is, van een blad wat ongeduld kan doen!’ Hij had gelijk!
Over Nederlands en streektalen (1)
Wat zijn de verschillen tussen het Nederlands en een streektaal? In drie delen zal dichter Willem Tjebbe Oostenbrink ingaan op bepaalde ontwikkelingen in het Nederlands en zijn eigen Westerkwartiers (West-Gronings). Dit keer voorbeelden rond de datief in zinnen, waarin een gemoedstemming, mening of indruk wordt geformuleerd. En hoe zit dat met poëzie? ‘Westerkertierder woorden bruken woar ze bruukt worden moeten.’
Een wonder – kijk maar om je heen
Is het mogelijk ‘zomaar’ een gedicht tegen te komen? Een mens kan wel zonder doel door de stad dwalen en onvoorzien een gedicht ontmoeten, maar het maakt nogal uit waar hij of zij vandaan komt. Jan Loogman had dit graag geweten. Peinzend over de noodzaak van poëzie liep hij tegen de meerduidigheid van taal op en tegen het wonder om hem heen.
De wilsverklaring
Vanaf nu zullen er van tijd tot tijd verhalen worden gepubliceerd in Meander. Hans Puper is de eerste met ‘De wilsverklaring’.
Het evangelie van Hans den Hartog Jager
In een open brief, ondertekend door 2000 personen, werd een zeer dringend verzoek gedaan het kunstwerk ‘Destroy My Face’ van Erik Kessels te verwijderen van een skatebaan, wat vervolgens gebeurde, ook door acties ter plaatse. Volgens kunstcriticus Hans den Hartog Jager was dat een uiting van een recent opgekomen beweging, de ‘super avant-garde’. Hans Puper vindt dat onzin. En hoe zit het in de poëzie?
Je moet het maar durven
Twee recensies werden een column. Martijn Benders over netwerkers, uberuittrekselkabouters, het onheilige huwelijk tussen Staat en Kunst, paradijsvogels, het intellectuele van literatuur, stillevens, geheime commissies, representatie, open klimaat, dichters, lachballonnen, toiletpapier, bewonderenswaardige gemakzucht. ‘Het is reality-tv op papier’.
Vissers van San Giorgio
Hans Franse over de 9e mei 1087 in San Giorgio, een vissersplaatsje, even ten zuiden van Bari. De zeelui kwamen bijeen bij de poort van San Giorgio en maakten een urn en zonden tijding van hun aankomst met de relikwieën van Sint-Nicolaas.
Men amuseert zich nu: een plaquette, zelfs van een groot heilige, is wel aardig, maar meer decor dan wezenlijk gedenkteken.
Kwartet
Wie wat bewaart heeft wat. Karel Wasch is aan het opruimen maar laat zijn Nederlands Literatuur Kwartet in zijn verzameling. Een overzicht van alle belangrijke auteurs ligt lekker in de hand en voor je het weet heb je de dichters compleet. Hoewel? Hoeveel kaarten zou een nieuw kwartetspel gaan tellen? En wie heeft de W?
Altijd weer sneeuw
Jan Loogman over de eerste sneeuw, kinderen en sneeuwpoppen, zijn broertje, de wijde witte wereld, dierbare en ontroerende herinneringen, maar ook over de sneeuw in poëzie: als ‘witte bruid’, als teken van hoop, als lichtgevende stilte, als bewijs dat niets verloren gaat. Bijvoorbeeld in de dichtregels van Jan Eijkelboom, “Want sneeuw is altijd weer van vroeger / en ligt er altijd voor het eerst. / Het blijft omdat het overgaat.”
