LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Gedichten

Gedichten
Gedichten
Aline Gaillaert Ik ben geen poëet ik ben geen poëet ik heb vaak het gras laten groeien er zit onkruid op mijn terras en bovenal sterven vogels in mijn tuin als ik zong was het vals of onecht moeder heeft me nooit bij mijn naam genoemd, zo ben ik hem vergeten ik rukte de liefde uit mijn hoofd heb romantiek een eind gegeven nooit zijn gezicht beschreven ik ben geen poëet want er ontplooien zich nog geen bloemen op mijn handen daarvoor zijn te veel vogels in mijn tuin gestorven.
Gedichten
Gedichten
Peter WJ Brouwer De stem In een hotelkamer in de Barrio doe je opnieuw mee in plaats van over haar schouder bevind je je ineens op mijn huig alsof je haar het achterste van mijn tong wilt laten zien en ieder licht woord dat ik nu zeg wordt door jouw lippen dicht gekust had het losgelaten, zeg je wat bracht het ons vanmiddag achter de gordijnen van Madrid ben ik haar minnaar en haar illusionist uit mijn vrolijk open mond tover ik een eentonig lint van rouwenvelopjes een keer raden, wiens naam aan de binnenkant prijkt
Gedichten
Gedichten
Thomas Möhlmann Tong Het is nooit één woord dat het leven vergelijkt het zijn er vele, het zijn vele gezichten verwrongen of versplinterd, met stoppels of met lichte make-up, met haar eraan of een hoedje dat nergens bij past in elk gezicht een kistje van huid in elk kistje dat open kan een schat van vlees en bloed waarmee elke bewering tot leven kan komen, elk tegendeel met evenveel kracht, waarmee kortom elk woord een eigen leven leiden gaat. Versta je me nog als ik lispel, versta je me nog als ik mijn tong tussen mijn tanden hangen laat en bijt, geen gezicht dat alle andere overbodig maakt, geen woord dat aan zichzelf genoeg heeft, het zijn er vele, juist degene die over niets gaan: niemand kan in taal alleen besta
Gedichten
Gedichten
Frouke Arns Mensen die je misschien kent Je zit in de trein met de smaak van ijzer en nadert je eindpunt. Uit de schoot van de man tegenover je groeien chrysanten; er kruipt een spinnetje uit. Als je vaart mindert herken je bij de overgang mensen in de trekken van mensen die je niet kent. Op een balkon van een flat voert iemand zijn longen aan wolken, spreekt met meeuwen, daaronder klopt een vrouw al haar woede uit het kleed. In het gangpad ritselt jeugd met vleugels, klaar om wind te vangen. Ook wat je niet ziet of hoort gebeurt: snelheid van licht deling van cellen, de spin die men plet in een stiltecoupé.
Gedichten
Gedichten
Luuk Imhann ALS EEN VLINDER AAN DE ENE KANT VAN DE WERELD MET ZIJN VLEUGELS SLAAT STORMT HET AAN DE ANDERE KANT        < (voor C.K. Williams) twee meisjes met hun enkels bijna in doorzichtig water keken alsof de lucht ter plekke geproefd moest worden doorzichtig zoet worstelen overleggen over vrede zo stil zo timide – wat moet het stormen aan de andere kant van de wereld
Gedichten
Gedichten
Oscar Wilde Lodewijk Napoleon Arend van Austerlitz! Waar was uw kracht Toen omkwam, ver weg op ’t barbaarse strand Door ongelijke strijd en duistere hand, Uw laatste telg uit ’t Keizerlijk geslacht! Arm joch! Jij zal niet pronken in het rood, Noch rijden in Parijs in statie zij aan zij Met ’t teruggekeerd legioen, maar ongenood Zal moeder Frankrijk, republieks en vrij, Jouw dode kroonloos hoofd versieren met De betere krans van een soldatenkroon; Zo wordt je ziel geëerd en aangezet Te melden aan jouw Voorzaat op de troon Dat Frankrijk, op de Vrijheid zeer belust, Haar zoeter dan Zijn honingbijen vond, En dat een golf van Volksmacht op de kust Zich werpt, waar ’n lakse ko
Gedichten
Gedichten
Myra-Lot Perrenet Salon l’ étranger Dertien haltes naar Gare du Nord, De metro warm en muf, als een oude schuur in de zomer, Een meisje in het gangpad, Steentjes in mijn schoen, Zand van een verlaten strand, Stilstaan in een tunnel, Omroep door de luidsprekers, “Pom, pom, pom crisis de person” Dan weer beweging, Mensen stappen in, Mensen stappen uit, Ik heb de hik, nogal hard, Gare du Nord, In de hoofdhal militairen, blauwe pet met zilveren ster, in de hand een groot geweer, Boven een café een bord: “Salon de grand voyageur” “Salon de vreemdeling” Is meer iets voor mij.
Gedichten
Gedichten
Paul Meeuws GRAFFITI (ter nagedachtenis van mijn vader) Het zou u niet ontgaan zijn die zondvloed aan spraakwater die onze stad overspoelt als wij slapen u zou het gesis van zijn slangentaal hebben gehoord tegen klimop en ingemetselde glasscherven u zou naar spelfouten hebben gezocht in dat kleurige slib dat ramen verblindt en gevels verplat tot een smoezelig schotschrift ik zie u op een droge zeebodem staan en omhoog kijken naar kreten die niemand meer leest naar geraas dat niemand meer hoort onthutste stokoude man in een rolstoel alles schreeuwt om uw gefluister u bewasemt meer dan u spreekt in uw gestamel richt zich een muur op die om beschrijving smeekt om armen die als woorden vermomd naar de hoogste r
Gedichten
Gedichten
Pallas van Huizen Vertraagde opname In afwezigheid toont zich de ander. Bewoond door de ochtend, de zonderling die strijkt op blote voeten. Alles wat zij zegt is een leugen. De straat parkeert de auto's. Koffie rijpt in de zon. De muur voor zijn gezicht vertelt hem zijn waarheid. Hij heeft ze gezien, zijn onzichtbare vrienden. Zijn vrouw heeft met ze gepraat. Twee handdoeken hangen in de sneeuw. Roerloos, bevroren. Het beeld staat stil. Er gebeurt niet veel. Verkeer gaat verder.